Vrijdag, 13 maart, 2009

Geschreven door: Thomése , P.F.
Artikel door: Stoffelsen, Daan

J.Kessels, the novel

Koelbloedig, countryminnend, Kamikaze

J. Kessels bestaat. Het staat op de flap en in het Eindhovens Dagblad spreekt een columnist zich uit over zijn rol als het kettingrokende, countryminnende personage van P.F. Thomése. Maar die is in J. Kessels, the novel zelf ook een personage, een vuilbekkende, borstendromende schrijver die met genoemde J. Kessels in de Toyota Kamikaze vanuit Tilburg-Noord naar de hoerenbuurt van Hamburg trekt om een – ‘gadverdamme’ – NACcer thuis te brengen, gedreven door het avontuur en een jeugddroom. J. Kessels, the novel is het hilarische verhaal van zure geuren, ontelbare sigaretten en de twee mooiste borsten en billen van het westelijk halfrond, een smakelijk vet tussendoortje.

Zoals alle duistere detectivezaken begint J. Kessels, the novel met een telefoontje, van een fan, die hem ook nog goed kent (‘“Van vroeger,” expliceerde hij met de precisie van een schot hagel. Vroeger is een lange tijd, makker, dacht ik bij mezelf. Daarin kon veel voorgoed verloren raken. Meer in ieder geval dan je terug zou willen vinden’). De fan heeft J. Kessels nodig, en Thomése, maar voor hij tot de kern van de zaak kan komen, is onze schrijver al verzeild geraakt in de natte droom van zijn jeugd. Birgit de Braaij was de rondborstige zuster van de beller, van Bertje, van Cafetaria Van Vroeger. Maar zoveel is hem helder: Bertje is op zoek een waardeloos figuur uit Breda, die men kwijt is geraakt bij FC St. Pauli, ‘zo’n beetje de meest waardeloze club uit het hele Duitse voetbal’ (volgens kenner J. Kessels). En Bertje is de enige die hem terug naar de B.B. van zijn jeugd kan brengen.

Goed, daar gaan ze, in een rottempo over de Autobahn naar Hamburgs guurste buurten, door de Reeperbahn, waar het naar slecht gewassen onderlichamen meurt, maar voldoende bier is, een parkeergarage-achtig bordeel in, een handgemeen met een Turkse pooier uit, en dat is nog maar het begin. Verdacht gemakkelijk vinden ze de zoekgeraakte Bredaenaar, maar dan doen ze een vreselijke ontdekking: er ligt een onbekende dodelijk gehavend in J. Kessels’ achterbak te rieken.

‘“Dat hebben wij weer,” mopperde J. Kessels, toen hij van de eerste schrik bekomen was. “Een dooie. Waar komt die nou weer vandaan?”
Omdat de stank niet te harden was, deden we eerst de klep maar even dicht. Dan konden we tenminste een beetje nadenken.
“Zo,” zei J. Kessels, alsof het probleem nu grotendeels was opgelost. Voor de zekerheid keek ik naar links en naar rechts om te controleren of iemand onze lading gezien kon hebben. Terwijl er niets was waar wij ons schuldig over hoefden te voelen. Ik niet in ieder geval. J. Kessels ook niet. Toch? Of -? Hoe goed ken je iemand?’

Wordt Vervolgd

Ja, hoe goed ken je iemand? Fundamentele twijfels, kortom, bedreigen de saamhorigheid. Als de rit dan toch naar – ‘gadverdamme’ – Breda moet, en ze terechtkomen in een replica van Cafetaria Van Vroeger, waar de ergste culinaire en erotische verleidingen op het tweetal afgevuurd worden, wordt de toestand serieus én kritiek. Het gaat niet meer om het lozen van een lijk – daar zijn gft-bakken voor –, maar om de confrontatie met vroeger, de verlopenheid van Birgit en de geilheid van haar minderjarige dochter. Het komt nu aan op koelbloedigheid, countrymuziek en een vluchtauto. Schieten, tieten en helikopters, dat idee, maar dan op de schaalgrootte van vrijgezellenauto en woonerf, en die verkleining, die versimpeling geeft een ironische draai aan het verhaal. Maar Thoméses humor is vooral direct, talig, ook in zijn lyrische passages van nostalgische theofanie: Birgits dochter loopt vlak voor hem in een Bredase vinexwijk:

‘Ik kon niet geloven dat ik compleet werd teruggeworpen in de tijd. Ik niet, maar die billen dan, ik bleef gewoon mijn oude zelf, maar die billen die leefden als nooit tevoren. Alsof ze nooit iets ander hadden gedaan. Toegeworpen werden ze me, door een Onzichtbare Hand, de hand van een of andere Hogere Rukker met gevoel voor nostalgie; in de schoot geworpen werden ze me, die twee schatten, die twee-eenheid, precies in het midden gescheiden door wat hen onverbrekelijk verenigde.’

Amen. Plat, maar het werkt, het stijlregister is uiterst consequent (Bertje, tegenwoordig een burgerlijke manager, is volstrekt geloofwaardig), en voor je je kan ergeren aan de opeenstapeling cliché‘s en vette grappen, is de schrijver opnieuw meegesleept in het avontuur. Dat is, toegegeven, een met plakbandjes, ruw touw en toeval aan elkaar verbonden plotje, waarin onze verteller zich regelmatig vertwijfeld afvraagt waar hij zich nu weer in begeeft. ‘En dan maar roepen dat ik – omdat ik toevallig de Schrijver in het gezelschap was – het allemaal zelf zou hebben bedacht. Echt niet! Dan had ik voor mezelf heus wel een comfortabeler positie verzonnen, dacht ik zo.’

Thomése zal grinnikend de eindjes aan elkaar hebben geknoopt, hier eens Tolstoj parafraserend, daar weer Lolita citerend, de levenloosheid van hun onverwachte achterbakbagage testend met een pocket van Bukowski (en dan mis ik een hele rits andere tekstuele verbanden). Maar dat het een spel met literatuur is, maakt dat J. Kessels, the novelook zelf interessante literatuur? Vermakelijk, ja, misschien zelfs, met een cliché, hilarisch, prettige pulp, een b-film maar dan goed geschreven – groots? Intiem en zwaar als Schaduwkind, engig-realistische satire als Vladiwostok!?

Een interessante toevoeging aan een eigenzinnig oeuvre, dat is het. Een goede schrijver, en deze zeker niet, stopt niet bij de grens van de lezersverwachting. Kom maar op, Thomése, we laten ons verrassen, maar nu eerst simpelweg genieten van een roman als een opengewerkte frikadel, ‘volgespoten met sauzen. De negerlul speciaal. Weer terug van nooit echt weggeweest.’ Vroeger is een lange tijd, maar dat hebben we toch mooi teruggevonden.

Wat voegt de krant toe aan de kritiek? Recensieweb leest deze weken de recensies in de kranten, in de aanloop naar de verdwijning van ‘Cicero’, de boekenbijlage van de Volkskrant.

Wat moet de literaire kritiek met de pulproman van P.F. Thomése? Bespreken, en dan klaar, ga je denken. Bij een inventarisatie van de stukken in NRC Handelsblad, de Volkskrant, Het Parool en – bij gelegenheid – Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer -, zie je toch vooral de plots naverteld worden. Goed naverteld, zeker, het leesplezier spat er vanaf, maar de analyse zit hem in de bijzinnen. Die analyse is: de kwaliteit zit hem in Thoméses stijl; het interessante is zijn aanwezigheid als personage.

Janet Luis formuleert haar gedachten over het belang van Thoméses stilistische kwaliteiten in NRC Handelsblad als volgt:

‘Wat is er leuk aan een roman die bolstaat van gemeenplaatsen en vooroordelen en die alles wegheeft van een morsige B-film? Dat is de A-kwaliteit van de afgewogen toon en het soepele taalgebruik van Thomése. De ranzigheid, het gescheld en het gefoeter worden verpakt in mooie zinnen, zoals we die van hem gewend zijn.Steeds balanceert het boek tussen echt en niet-echt, tussen melig en tragisch, tussen gemeenplaats en spitsvondigheid, tussen literatuur en pure slapstick. De verwarring wordt nog vergroot door het feit dat één van de twee kettingrokende en zuipende Brabanders P.F. Thomése heet en schrijver is. […] Hier zien we de dubbelzinnige opzet van deze “novel” in al zijn komische kracht voor ons opdoemen: P.F. Thomése niet alleen als de gevangene, maar ook als de risee van zijn eigen schepping. ‘

Ik ben bang dat voor mij de komische kracht vooral in de slapstick zat, en ik heb, net als Luis hierboven, wel het idee dat de combinatie schrijver-personage een extra dimensie biedt. Maar maakt dat het grappiger? Ja, en ik denk nu hardop, want het wordt wel pijnlijker, de verwarring van de verteller komt dichterbij, en het geeft volop mogelijkheden voor literaire spelletjes, die Thomése gretig benut. Jeroen Vullings in Vrij Nederland stelt het anders, minder expliciet:

J. Kessels, the Novel drijft op de spanning tussen de schrijver (in zijn rol als personage in zijn eigen boek) en diens vriend en personage J. Kessels. Niet alleen is de schrijver op zoek naar een verhaal en als hij in een krankzinnig verhaal belandt, dan probeert hij er uit alle macht voor te zorgen dat het verhaal niet uit de klauwen loopt. Omdat J. Kessels zijn eigengereide gang gaat of gewoon wegloopt, terug naar “zijn tijdelijk permanent toegewezen noodflatje in de Koekenbakkerstraat” in Tilburg. Zodat het nooit wat wordt met het avontuur, om nog maar te zwijgen over de roman waarin een en ander geboekstaafd dient te worden.’

Joost de Vries zoekt de reden van het experiment van Thomése in zijn strijd met het autobiografisch schrijven:

‘Het boek komt met de mededeling dat J. Kessels echt bestaat, waarschijnlijk net zo echt als de P.F. Thomése die we hier in actie zien – dat wil zeggen: het doet er niet toe, dit is een roman, met personages, een roman die niet op waarheid getoetst hoeft te worden.
Misschien is dit een statement. Ooit verzette Thomése zich tegen autobiografische fictie, totdat zijn pasgeboren dochtertje overleed, waar hij vervolgens Schaduwkind (2003) over schreef dat een bestseller werd, en daaruit afgeleid Izak(2005). Misschien dat hij nu, door een totaal ongeloofwaardige over the top-Thomése op te voeren, daar weer de spot mee wil drijven.’

Tja, die overweging heb ik in de wandelgangen al vaker gehoord, en daar verklaar je de bokkensprong in het oeuvre wel. Maar voor een beter begrip van dit boek vind ik De Vries’ volgende vraag interessanter:

‘… net als in Vladiwostok! (2007) zitten de onderliggende thema’s opgesloten in die vuige taal. […] Maar is die taal genoeg? Thomése doet zo zijn best die taal vitaal te houden dat het eigenlijk te veel wordt om te lang achter elkaar te lezen. Die extra dimensie die je in Vladiwostok! geïnteresseerd hield in de personages, is hier weggecijferd. Maar goed, het is Pulp, dus meer dan de zinnen moet je niet verwachten. ‘

Misschien heeft hij gelijk. Wat voegt de krant toe aan de kritiek, vragen we ons deze weken af, en misschien mogen we bij de besprekingen van J. Kessels, the novel niet meer verwachten dan het enthousiasmerend rapporteren van verhaal en oordeel. Het is nu eenmaal niet het meest complexe literaire meesterwerkje van het jaar. Toch: een poging tot duiding mag wel, en gelukkig doen NRC Handelsblad en de twee weekbladen dat wel. Maar een echte toevoeging, iets dat het uitgebreide signalement overstijgt? Daarvoor zijn we toch aangewezen op internet, op het weblog van Joost de Vries, die hardop nadenkt over hoe hij zijn recensie moest beginnen. Een aanrader!

(Zijn vergelijking doet denken aan die die Gail Pool maakte in haar Faint Praise, tussen de inleidingen van een recensie in de Times Literary Supplement en de New York Times (Pools punt is het gebrek aan ruimte dat diepgang in de weg staat, maar bij mijn gegoogle naar die laatste recensie kwam ik ook een ‘close reading’-column tegen over hetzelfde boek). Vergelijk en huiver!)