Zondag, 19 maart, 2017

Geschreven door: Schmidinger, Thomas
Artikel door: Heijster, Karl van

Jihadisme

Jihadisme voor dummies

[Recensie] Na de aanslag op de Twin Towers (11 september 2001), de bomaanslag in Madrid (11 maart 2004), de moord op Theo van Gogh (2 november 2004), de aanslagen in London (7 juli 2005), de aanslag op een Joodse school in Toulouse (19 maart 2012), de met een kapmes afgeslachte militair in London (22 mei 2013), de aanslag op een Joods museum in Brussel (24 mei 2014), de aanslag op het hoofdkantoor van Charlie Hebdo (7 januari 2015), een aanslag op een bijeenkomst voor vrijheid van meningsuiting en een synagoge in Kopenhagen (14 en 15 februari 2015), de aanslagen in Parijs (13 november 2015), Brussel (22 maart 2016), Istanbul (28 juni 2016), Nice (14 juli 2016), Charleroi (6 augustus 2016), Berlijn (19 december 2016), en meest recentelijk de man met het kapmes voor het Louvre (3 februari 2017) – en dan zijn de aanslagen in de islamitische wereld nog buiten beschouwing gelaten –, wordt het hoog tijd om het fenomeen van het jihadisme nader te bekijken. Politicoloog en medeoprichter van het Oostenrijks antiradicaliseringsprogramma Thomas Schmidinger heeft daarom een handzaam inleidend boekje geschreven met de titel Jihadisme: Ideologie, preventie en deradicalisering.

Jihadisme, zo begint Schmidinger, is een stroming van de politieke islam. Politieke islam, ook wel islamisme genoemd, is een verzamelterm voor verschillende stromingen van de geïdeologiseerde vormen van de islamitische religie, respectievelijk religieus gefundeerde ideologieën die zeggen een religieus gefundeerde politieke orde te willen vestigen. Met andere woorden: politieke islam streeft naar de oprichting van een islamitische theocratie, oftewel een kalifaat. De politieke islam kan volgens Schmidinger worden gezien als een afweerreactie op of het resultaat van de secularisering van de islamitische wereld, die eind negentiende eeuw opkwam. Deze vorm van islam vormt in zijn ogen dan ook een 20e eeuws fenomeen.

Politieke islam

Kanttekening daarbij is dat het stichten van een islamitische theocratie bepaald geen nieuw idee is. Sterker nog, het is verleidelijk om de oorsprong van de politieke islam te vinden in de profeet Mohammed zelf, die in zijn periode in Medina zowel geestelijk als politiek leider was. Dat betekent uiteraard niet dat elke interpretatie van de islam evenveel nadruk hoeft te leggen op politieke elementen in de religie. Het betekent ook niet dat een interpretatie die moskee en staat scheidt, onmogelijk is. De interpretaties die menen dat de profeet in zoveel mogelijk zaken nagevolgd dient te worden, kunnen echter moeilijk om deze kwestie heen. De huidige opleving van de politieke islam mag inderdaad een recent fenomeen zijn, maar het idee daarachter zit in een boel interpretaties van de islam ingebakken.

Bazarow

De bekendste jihadistische groeperingen zijn Al-Qaida en Islamitische Staat (IS). Het jihadisme onderscheidt zich in ideologisch opzicht op twee essentiële punten van alle andere vormen van politieke islam. De eerste heeft betrekking op het begrip jihad zelf, in betekenis van religieus gelegitimeerde oorlog tegen ongelovigen. Het klassieke islamitisch recht beschouwt de jihad als een collectieve plicht voor alle moslims. Als een kalief deze uitroept, wordt de gemeenschap als geheel verplicht een leger te vormen. Dat betekent niet dat ook elk lid van de gemeenschap onderdeel van dit leger hoeft te zijn. Jihadisten beschouwen de jihad daarentegen als individuele plicht (fard al-ayn) voor elke moslim. Bovendien is deze individuele plicht een algemeen theologisch uitgangspunt van het jihadisme. Een moslim die geen oorlog voert tegen ongelovigen, is in de ogen van jihadisten geen echte moslim.

Alcohol

Dat brengt ons bij het tweede punt. In het jihadisme wordt er een bijzonder strenge vorm van takfir bedreven. Dit is het verklaren van andere moslims tot ongelovigen. Iemand die alcohol drinkt of niet vijf keer per dag bidt, is in de ogen van jihadisten geen moslim en verdient de dood. Schmidinger werkt de indruk dat takfir een uitvinding van het jihadisme is, maar dat is niet het geval. Traditionelere interpretaties van de islam, zoals de orthodox soennitische, bedrijven eveneens takfir als een moslim religieuze principes ontkent. Iemand die alcohol drinkt of niet vijf keer per dag bidt, is in hun ogen misschien een zondaar, maar nog geen ongelovige. Dat is hij slechts als hij ontkent dat deze daden zondig zijn, wetende dat ze dat wel degelijk zijn binnen de orthodox soennitische islam. Andere stromingen, zoals het kharidjisme, beschouwen elke moslim die een grove zonde begaat als ongelovige – een standpunt dat zij die menen dat jihadisme ‘niets met de islam te maken heeft’ overigens lijken te delen.

Schmidinger geeft van zowel Al-Qaida als IS een beknopt overzicht van hun ontstaansgeschiedenis. Hij staat stil bij de strategische en ideologische verschillen tussen de groeperingen, maar laat de theologische fundering waarop zij gebouwd zijn volledig buiten beschouwing. Dat is een gemiste kans, niet in de laatste plaats omdat zowel Al-Qaida als IS consequent en expliciet religieuze motieven voor hun daden naar voren brengen. Zij zijn eenvoudigweg niet te begrijpen zonder het over de islam te hebben, op zijn minst in de interpretatie die jihadistische groeperingen erop nahouden. Schmidingers keuze religie buiten beschouwing te laten, resulteert in een oppervlakkige en onvolledige analyse van het jihadisme.

Europa

Dit gebrek komt steeds opnieuw in zijn boek naar voren. Halverwege verlegt Schmidinger zijn focus van het Midden-Oosten naar jihadisme in Europa. Hoofdredenen voor radicalisering zijn in zijn ogen: problemen in de familie, op school of op het werk; liefdesverdriet of problemen met de eigen seksualiteit; vragen rond zin en identiteit; de ervaring gediscrimineerd te worden en aanwijsbare psychische problemen. Radicaliserende jongeren zoeken, meent hij, vooral naar een veilige, geborgen omgeving waarin het leven zin heeft en ze ergens bij mogen horen. Dat hij hier een punt heeft, lijdt geen twijfel. Maar opnieuw is zijn analyse onvolledig.

De vraag waarom met name islamitische jongen radicaliseren tot jihadisten, wordt niet eens gesteld, laat staan dat hij wordt beantwoord. Schmidinger lijkt dit zelf ook aan te voelen, en benadrukt dat het weerspreken van bepaalde denkbeelden essentieel is om jongeren – achteraf – weer te deradicaliseren. Dat ze er op voorhand al denkbeelden op na kunnen houden die handvaten bieden voor latere radicalisering, lijkt niet bij hem op te komen. De stelling dat er elementen in de islamitische cultuur aanwezig zijn die radicalisering in de hand werken, is echter het overwegen waard. (Nota bene: dit betekent uiteraard niet dat het hebben van denkbeelden ontleend aan de islamitische cultuur automatisch tot radicalisering zou leiden.)

Twee voorbeelden volstaan om deze stelling te illustreren. Eén element dat radicalisering tot politieke islam en zelfs jihadisme mogelijk maakt, is al eerder aangestipt: het idee dat de profeet Mohammed in zoveel mogelijk zaken nagevolgd dient te worden. Dit idee is het meest prominent aanwezig in salafistische interpretaties van de islam. Interpretaties waarin de rol van Mohammed en het belang van zijn voorbeeld wordt ontkend of gebagatelliseerd, zijn echter, op zijn zachtst gezegd, zeer zeldzaam. Jongeren die opgroeien in een omgeving waarin het navolgen van een zevende-eeuwse profeet als deugd wordt gepropageerd, zullen over het algemeen vatbaarder zijn voor radicalisering dan jongeren waar dat niet voor geldt.

Een tweede element zit in het idee van een verenigde islamitische gemeenschap, de oemmah. Nadruk op dat idee kan jongeren van hun lokale gemeenschap vervreemden. Het kan de suggestie wekken dat zij in de eerste plaats onderdeel zijn van een religieuze gemeenschap, en dat bij spanningen tussen de lokale en religieuze gemeenschap, de tweede verkozen dient te worden. Het idee van de oemmah is van onschatbare waarde bij de vraag waarom jongeren naar Syrië vertrekken om daar te strijden en komt ook steevast terug in getuigenissen van jihadisten zelf. Zij voelen zich meer betrokken bij de islamitische gemeenschap aldaar dan bij de lokale gemeenschap van hun woonplek. Dit idee wordt al helemaal problematisch, als betrokkenheid bij de islamitische gemeenschap omslaat richting haat jegens de lokale gemeenschap, zoals bij veel jihadisten het geval is.

Neoliberale economische politiek

Het ontbreken van de religieuze dimensie maakt Schmidingers boek tot een teleurstellende leeservaring. Zijn louter politicologische benadering van het probleem stelt hem niet in staat het fenomeen in zijn volledigheid te vatten. Bovendien verzandt het boek in het laatste deel, waarin hij enkele suggesties tot preventie doet, in weinig concrete ambtenarentaal. De toename van jihadistisch geweld in Europa wijten aan een gebrek aan stageplekken is clichématig en bovendien ongefundeerd. De suggestie dat het aan ‘neoliberale economische politiek’ zou liggen, is echter ronduit lachwekkend. Als antiradicaliseringsexperts dit dé manier achten om jihadisme te bestrijden, dan vrees ik dat de recensie van hun volgende handzame inleidende boekje een zowaar nog deprimerender openingsalinea zal bevatten.

Eerder verschenen in Splijtstof