Woensdag, 3 februari, 2016

Geschreven door: Vandecasteele, Joost
Artikel door: Verplancke, Marnix

Jungle

“Fuck, zijn we nu nog altijd met religie bezig?”

Wat doe je tegen radicalisering en geweld? Een absurd applaus inzetten. Joost Vandecasteele schreef een verwarrende roman over onze verwarrende tijden. Flitsend, soms hilarisch, maar vooral ook verontrustend. “Ja, ik schrijf pulp,” zegt hij, “en ik ben er trots op. Want pulp is het format van onze tijden.”

Na Charlie Hebdo werd Joost Vandecasteele gevraagd om in Bozar met Molenbeekse jongeren in discussie te gaan. Al snel kwam het onderwerp evolutietheorie bovendrijven. Daar leken die jongeren het meeste moeite mee te hebben. “Darwin, dat kennen we van buiten,” zeiden ze, “maar we geloven het niet.” “Maar er zijn toch wetenschappelijke feiten,” bracht Vandecasteele in, wat ze beaamden, maar dat veranderde volgens hen niets. “Feiten maken geen indruk,” aldus Vandecasteele, “Dus begon ik me af te vragen wat wel indruk zou maken. Wij zien onszelf als wetenschappelijk en rationeel. Dat maakt ons zwak. We zullen nooit de stoersten zijn. Op zich is er niets mis met softies. De wereld zou een mooie plek zijn als softies het voor het zeggen hadden. Maar toch zou er iets moeten zijn dat ons een beetje sterker maakt. Vandaar dat mijn nieuwe roman een ode aan de vreemdheid is geworden. Een zot wordt immers met rust gelaten. Een tijd geleden hield ik op tv voor De Afspraak een pleidooi voor een absurde staatsgodsdienst. Ergens geloof ik daar ook wel in. Dit is België, het land van Magritte en Kamagurka. Als er erge dingen gebeuren komen wij niet verder dan een cursus of een deradicalisatie-ambtenaar. Na 9/11 nodigde de Amerikaanse overheid Hollywoodregisseurs uit met de vraag of zij tips hadden om de nieuwe werkelijkheid te tackelen. Fantastische fictie, was het antwoord. Ik vind dat een mooi idee.”

Jungle heet die fantastische fictie in het geval van Vandecasteele, een roman over een schrijver die de bodem uit zijn wereld ziet vallen en zich genoodzaakt ziet alle mogelijke opdrachten aan te nemen. Een mens moet toch wat om te overleven. Hij reist naar Spanje en duikt onder tussen de daklozen, komt in de V.S. in een game terecht en voelt hoe onwerelds vreemd een gloednieuwe stad als Astana kan zijn. Jungle doet denken aan Massa, Vandecasteeles succesroman uit 2012, waarin de vervreemding in een steeds technologischer wordende wereld hand over hand toeneemt.

“Als een boek niet futuristisch aanvoelt, is het geen hedendaags boek,” verklaart Vandecasteele, “Omdat een boek sowieso gedateerd is bij het verschijnen, probeer ik de nabije toekomst te tonen: niet morgen, maar overmorgen. Misschien heb ik te veel manga gezien of weirde horror gelezen in mijn jeugd, maar vandaag speelt er echt meer dan de vluchtelingenproblematiek. Ik ben nu zesendertig en ik herinner me nog goed de jaren 1990. We waren toen bezig met de toekomst. Niet alleen in SF of Hollywoodgewijs, maar ook in de realiteit: waar gaan we naartoe? Biedt waterstof een uitweg? Ons land stemde een euthansie- en een genocidewet. Eens de millenniumwende achter de rug viel dat stil. Daar zal 9/11 wel voor iets tussenzitten natuurlijk. Vrouwen- en homorechten, waarvan we lang dachten dat die verworven waren, worden weer ter discussie gesteld. En hetzelfde met religie: fuck, moeten we daar nog altijd over bezig zijn? Moeten we daar in 2016 nog steeds een plaats voor zoeken? Gaan we het heden blijven herhalen: meer olie en meer geloof? We zijn al tweeduizend jaar hetzelfde aan het doen en toch voelt het alsof de machthebbers zeggen: geef ons nog duizend jaar en het komt in orde. Soms zie je iets dergelijks in columns uit de katholieke hoek. Dan zitten ze te jammeren dat ze hun kijk op de wereld niet kunnen verkondigen en dan denk ik: vergeet niet dat je al tweeduizend jaar bezig bent met het verkondigen van die kijk. Je moet nu niet afkomen dat je geen kansen krijgt. Hetzelfde zie je met de islam. Die is nu 1300 jaar oud en zit in zijn puberteit. Daar moeten we niet over zaniken. Wat denk je dat de katholieken aan het doen waren in 1300? Kruistochten aan het voeren. Godfried van Bouillon zou vandaag afgemaakt worden op Twitter. Wacht maar tot Scientology duizend jaar oud is, denk ik dan.”

Archeologie Magazine

Flitsend en hilarisch dus, dat is Jungle, een boek dat alles met alles in verband brengt en zo up to date is dat zelfs de verlamming van Brussel veroorzaakt door alarmfase vier er al in staat. Vandecasteele: “Ik heb daarover getwijfeld omdat ik het nog niet verwerkt heb. Ik wou niet in hetzelfde hysterie geraken als de media. Ik wou het vermelden zonder er grootse uitspraken over te doen. Want zo voelde het ook: niet groots, maar saai en vervelend. Maar het klopt wel. Als ik de wereld beschrijf als iets absurds, bevreemdends en verwarrends en dan hoor ik Jan Jambon zeggen dat er een aanslag verijdeld is omdat er geen aanslag gebeurd is, dan denk ik: dit klopt zo hard met wat ik probeer te zeggen dat ik het moet gebruiken.”

Brussel is een constant in het boek. De verteller reist naar alle uithoeken van de wereld, maar in Brussel komt hij steeds weer thuis.

Vandecasteele:”Brussel is de meest futuristische stad van het land, de enige die in de buurt komt van een grootstad, wat op zich een recent fenomeen is. We zijn nog aan het uitzoeken hoe dit het beste werkt, maar we vallen al te veel terug op het gekende. Ik weet ook wel dat je niet kunt spelen met de levens van mensen en dat zij nog normaal moeten kunnen werken en school lopen. Maar ik vind toch dat het experiment ontbreekt. Het fascinerende aan Brussel is dat je een aanwezigheid voelt van verschillende werelden waar je niet binnenraakt. En dan heb ik het niet alleen over Molenbeek of de salafisten, maar ook over expats, de Aziatische gemeenschap of een aantal Pinksterkerken. We zijn met zo veel, en het lukt. Het ontploft niet. Is dat een kwestie van tijd, zijn we te lui, of zitten we gewoon te dicht op elkaar? Molenbeek en de Dansaertstraat raken elkaar letterlijk. Abou Jahjah denkt dat het ieder moment kan ontploffen. Er moet maar een kerel omver geduwd worden door een politie-agent en het is zover. Dan had het toch al lang ontploft moeten zijn? Er zijn al genoeg incidenten geweest. Ik vind dat de Brusselaar zich goed gedraagt. De mensen zijn er zo afstandelijk, zegt men dan, en er is geen warmte. Maar dat is een manier van overleven natuurlijk. Elkaar met rust laten is vaak ook wel gezond. Maar dat betekent niet dat we moeten stoppen met nadenken over wat nog beter kan. Is het bijvoorbeeld zo verstandig om het centrum te vullen met gated communities? Men is overal lofts aan het bouwen en het eerste dat dan wordt opgetrokken zijn het hek en de muren eromheen. De beveiligingscamera’s hangen er al voor men begint te bouwen. Laat ons toch even nadenken wat waar komt. Is het verstandig om een gokkantoor te vestigen in een arme wijk? Of om een Dürümzaak naast een bestaande Dürümzaak te openen? Ik wil van Brussel ook geen tweede Singapore maken waar alles gepland is, maar iedereen zomaar zijn gang laten gaan, maakt je als stad ook heel zwak. Je begint een voetgangerszone, maar als de handelaars klagen, stop je er weer mee, bijvoorbeeld. Zo van: ‘O sorry, je vindt het erg dat je niet meer kunt rijden. We dachten dat je dat hilarisch zou vinden.’ Dat is toch geen beleid? Een stad besturen is meer dan werken van dag tot dag. Ik mis een groots idee in Brussel, ook al voel ik dat er momenteel iets aan het broeien is in de goede zin van het woord. Brussel moet zich niet meten met Gent of Antwerpen, maar wel met andere hoofd- en grootsteden. Men moet nadenken over wat Brussel uniek maakt binnen die categorie en niet hoe het Vlaamser of Waalser kan zijn.”

Of hoe het beter bestuurd kan worden?

Vandecasteele: “Dat het niet vlot met Brussel heeft veel met ons kiessysteem te maken. Af en toe moet men iemand uit Brussel in de regering droppen om toch ietwat geloofwaardig over te komen, maar dat is moeilijk. Dus dan neemt men maar iemand van de brouwersliga. Je ziet alle partijen luidop denken: ‘hebben wij in feite wel eenen uit Brussel?’ Wij zitten in België met ministers die heel groot zijn in hun provincie en vanuit die achtergrond redeneren. Iemand uit Brussel begint dus altijd met een achterstand tijdens de regeringsvorming. Die krijgt dan binnen zijn eigen partij te horen dat hij niet te veel moet verwachten aangezien hij maar een handvol kiezers heeft. Zolang dat niet verandert, zal Brussel altijd stiefmoederlijk behandeld worden. Kun je je voorstellen dat de Britse regering zou zeggen: ‘Londen? Wie komt daar nu vandaan?’”

In die zin zijn de instortende tunnels een mooie metafoor?

Vandecasteele: “Ik vind dat een fantastische symboliek. Dat zelfs de infrastructuur zoiets heeft van: stop effe. Die tunnels lijken wel rochelende kelen die hoesten en waaruit brokken spatten: ‘Sorry, ik zou in feite moeten stoppen met roken.’”

Het grootste deel van je personages zijn jonge anarchisten uit de underground. Hebben zij de toekomst in handen?

Vandecasteele: “Dat heb ik vooral in Spanje zo gevoeld. Daar sloeg de crisis echt heel hard toe. Zij die normaal gespaard blijven, zoals de betere middenklasse en de artistiekelingen, voelden ze daar ook aan den lijve. Dat zorgde voor een frisse wind binnen de verzetsgroeperingen. In mijn boek komt de Hart tegen Hard-betoging aan bod. Dat was een heel andere betoging dan een van de vakbond: heel weinig voetzoekers en rondvliegende Jupilerblikjes. Ik geloof wel in het idee dat je niet echt hardhandig op straat moet komen om iets te veranderen. Er is een klein verzet mogelijk. We zitten met een regering die verzet nooit serieus zal nemen. Dus dan moeten we die regering ook niet serieus nemen. Ik weet uit ervaring dat je meer bereikt door iemand in de war te brengen dan door iemand kwaad te maken. Je kunt je middelvinger opsteken en dan krijg je een middelvinger terug. Stel echter dat iemand iets eikeligs doet en jij applaudisseert ervoor, dan breng je hem uit zijn lood. Zo raak je beter in iemands psyche dan wanneer je hem kwaad maakt. Dat wil ik doen met mijn boeken. Ik streef geen eeuwigheidswaarde na. Ik wil degene zijn die mensen aan het wankelen brengt.”

Vandaar het motto voor het boek, Richard Pryors “When you ain’t got no money, you gotta get an attitude”?

Vandecasteele: “In feite is daarmee alles gezegd over deze tijd. Als je niets hebt, heb je alleen je lijf, en dan is dat je visitekaartje. Het enige wat mijn hoofdpersonage nog bezit is de personaliteit van de schrijver. Daar zet hij alles op in. Tijdens de Nieuwjaarsreceptie van Open VLD stond Gwendolyn Rutten te roepen dat de regering vier miljard bespaard had en hoe blij ze daar wel mee waren. Het lijkt alsof de visie van alle partijen vandaag teruggebracht is tot hoeveel er bespaard kan worden. Dat is dus tot wat onze westerse normen en waarden gecondenseerd zijn: bezit en geld. Daar gaan we de mensen warm mee maken, met spulletjes. We leven in een wereld die radicaliseert en wij bieden spulletjes aan, en wanneer salafisten die terug in ons gezicht gooien, verstaan we dat niet. Volgens mij moeten we iets meer te bieden hebben dan comfort en spulletjes”.

Wil jij de literaire pendant zijn van de adbusters die het reclamebord van Coca-Cola op het Brouckèreplein hackten?

Vandecasteele: “Eigenlijk wel. Literatuur is een akelige plek om aandacht voor te vragen. Ze is stoffig en saai. Dat ik vast zit in oude media, is een van mijn grote frustraties. Tv is er wel in geslaagd om zich online uit te breiden. Er is geen dédain naar internet toe. Literatuur heeft echter een ontzettende dédain naar alles wat geen literatuur is. ‘Ik kijk nooit tv,’ hoor je zo’n schrijver dan zeggen, alsof het iets is om trots op te zijn. Of ‘Ik ben gestopt met Humo’. Wil je nu een medaille of zo? Dat is gewoon een feit, daar moet je niet trots op zijn. Literatuur laat zich in een hoekje drukken en denkt dat het voortbestaan gegarandeerd is zolang Jan Siebelink en Arthur Japin nog verkopen, maar die zijn ook aan het uitsterven. Ik ga op zoek naar het publiek dat zich in de steek gelaten voelt door de literatuur. Ik heb dat zelf meegemaakt. Tox van Paul Mennes was heel belangrijk voor mij. Ik las het op het juiste moment om te beseffen dat literatuur ook zo mocht zijn. Om de zoveel tijd heb je mensen nodig die tegen achttienjarigen of twintigers en tegen gamers en geeks zeggen dat er ook een ander soort literatuur bestaat. Je moet hen iets aanbieden dat hen aanspreekt. Vandaag toont de literatuur ons een jaren-tachtig-versie van de realiteit. Dat zelfs debutanten meegaan in dat verhaal vind ik echt verontrustend. Schrijf iets spannends en stap af van de overtuiging dat we nog steeds Harry Mulisch en Hugo Claus moeten imiteren. Dat hebben we gehad. De wereld is veranderd en de lezer is een ander soort lezer geworden. Hij kan kiezen tussen verschillende media en dan maak je beter dat je als schrijver een valabele optie bent, en niet de zieligste. Ik schrijf pulp, dat weet ik. Ik ben daar trots op en ik wil daar goed in zijn. De eerste Alien, van Ridley Scott, was een B-film, maar wel een fantastische goeie. Dus schrijf ik pulp, en dat maakt het gesprek met een uitgever er niet makkelijker op. ‘Zo win je de Libris niet’, zegt die dan, maar so be it. Vandaar dat ik zo blij ben met mijn nieuwe uitgeverij, Lebowski, die wel snapt wat ik wil doen.”

Uw hoofdpersonage verdwaalt op het internet en komt uiteindelijk in een game terecht. In vergelijking met de wereld op internet kan de echte wereld alleen maar teleurstellen?

Vandecasteele: “Wij baseren onze wereldvisie op wat ons aangereikt wordt. Het internet presenteert ons versies van de feiten die we steeds vaker voor die realiteit gaan houden. Ik zeg niet dat dit op zich slecht is, alleen moeten we erkennen dat we ons niet meer op feiten baseren. Vandaag is dat het duidelijkst te zien in Rusland. Vladislav Soerkov, een man die oorspronkelijk uit de kunstwereld komt, is Poetins naaste raadgever geworden. Hij gebruikt methodes uit de avant-garde om hem aan de macht te houden. Hij toont dat politiek en werkelijkheid spektakel zijn en brengt iedereen in verwarring. De enige standvastige is dan Poetin. Als een bevolking niet weet tegen wie ze in opstand moet komen, dan zal ze ook niet in opstand komen, zei Soerkov ooit. Er zijn dingen aan het gebeuren, dat voel ik, misschien niet hier, maar in onze geglobaliseerde wereld doet dat er niet meer toe.”

Misschien wel in Japan, waar je boek eindigt?

Vandecasteele: “Het leek me het logische einde van het boek: waar kan iemand na een apocalyps terechtkomen? Daar waar de apocalyps echt heeft plaatsgevonden natuurlijk, in 1945. Japanners denken anders over de realiteit. Vandaar dat robots er veel menselijker gezien worden dan hier. Japanners denken dat robots een ziel hebben, terwijl Amerikanen dan weer proberen om een godsbesef in te bouwen in hun robots.”

En Europeanen?
Vandecasteele: “Angst wellicht, of betweterigheid.”

Verschenen in De Morgen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.