Donderdag, 9 januari, 2020

Geschreven door: Rooseboom, Hans
Artikel door: Reinewald, Chris

Lichtjaren

Weer een klaarheldere geschiedenis van de fotografie

[Recensie] Nederlandse fotografieliefhebbers worden verwend. Na twee prachtboeken bij tentoonstellingen in het Rijksmuseum en Stadsarchief Amsterdam verscheen recent een handzame hardcover, prettig leesbaar in het Nederlands geschreven door Hans Rooseboom. Interessant voor de meer dan gemiddeld geĂŻnteresseerde cultuurliefhebber of fotomaker – en dat is tegenwoordig vrijwel iedereen.    

Rooseboom, conservator fotografie bij het Rijksmuseum koos voor twaalf thematische hoofdstukken. Zo ontkwam hij aan een strikte chronologie met de overbekende foto’s.

Na een korte inleiding vertelt hij steeds hoe foto’s gemaakt, bedoeld, verspreid, bekeken en gebruikt werden en worden. Vaak beeldt hij originele afdrukken en hun toepassing in beduimelde tijdschriften of boeken af. Daarmee geeft hij duidelijk inzicht in de veranderende positie van fotografie, tussen snelle reproductietechniek en geaccepteerde vorm van beeldende kunst of  onderdeel daarvan.

Rode lijn is de sociaal-culturele context van de fotografie. Rooseboom besluit elk hoofdstuk met een conclusie met actuele voorbeelden. In hoofdstuk 1 bespreekt hij hoe de eerste fotografen al spontaan door de scheiding tussen privaat en publiek braken. Net als nu met de mobiele telefoon maakte men rond 1900 foto’s met willekeurige voorbijgangers of familiekiekjes zonder diepere betekenis.

Kookboeken Nieuws

Al gauw nam het grote publiek aan dat een foto een niet te weerleggen bewijsstuk vormde van hoe iets of iemand er in het echt uitzag. Ontdekkingsreizigers gingen op pad met zware apparatuur en kwetsbare glasplaten, om als eerste die bijzondere bergtop of exotische volksstam vast te leggen.

In het hoofdstuk over “de geboorte van het massamedium” zien we de beelddrager van een eerdere Rijksmuseum-expositie over pionierfotografie terug. Het is een letterlijke blauwdruk van een plant. De maakster, Anna Atkins bundelde zulke botanische blauwdruknegatieven in 1850 tot een rudimentair tijdschrift of fotoboek met overeenstemmende afdrukken. Het maken ervan kostte haar tien jaar, niet echt een fotomapje dat je nu binnen hoogstens zeven minuten voor het oog van vrijwel iedereen op Facebook zet.

Met het Amerikaanse fototijdschrift Life ontstond in 1936 de fotoreportage en zo de gespecialiseerde documentaire fotografie. Handzamere techniek maakte het mogelijk met niet al te grote camera’s en filmrolletjes op reis te gaan.

Porno

Zoals Roosebooms Rijksmuseum-collega Mattie Boom in haar boeken al signaleerde verliep de technische ontwikkeling in de fotografie zo snel dat beoefenaars ervan niet echt tijd hadden om na te denken over esthetische of sociale regels. Het bleef vaak bij geroep vanaf de zijlijn. Onvermijdelijk werd de fotografie als hype ook door avonturiers beoefend. Met heimelijk verkochte soft of hard porno foto’s viel lekker te verdienen. In het boek staat bijvoorbeeld een wazige stereofoto van een wijdbeens gefotografeerde vrouw die zich – anno 1855 – schaamteloos bevingert. Maker onbekend, kwaliteit matig, geen hoogstaande kunst maar vanwege de onthullende voorstelling aangekocht door het Rijksmuseum.

Rooseboom noemt ook gerespecteerde fotografen als Man Ray en Edward Steichen die een vooralsnog anoniem schaduwoeuvre met fraaie naaktfoto’s aanlegden, meestal met hun minnaressen als model. Ondertussen begonnen fotografen ook de technische wetten van hun discipline te doorbreken met visuele experimenten die in de – aanvankelijk serieus nagevolgde – schilderkunst onmogelijk waren. Door een belichtingsfout in de donkere kamer bij het afdrukken ontdekte Man Ray bijvoorbeeld de solarisatietechniek. Met terugwerkende kracht werd in 1963 de onbevangen pionier-fotografie van Lartigue herontdekt als voorloper van de onverbloemde straatfotografie. Het Museum of Modern Art in New York en Life presenteerden de toen inmiddels bejaarde Fransman als onbekende amateurfotograaf wat hij – ondanks zijn jonge leeftijd bij het maken en de gecompliceerde fototechniek – zeker nĂ­et was.  En dit leidt naar de vraag: wanneer ben je een professioneel fotograaf? En wanneer is een foto kunst? (Als het geen reclame of wetenschappelijk doel dient?)

Onwerkelijk waar

In andere gevallen functioneert de camera als barrière tussen de gruwelijke werkelijkheid en de observator achter de lens. Laat het thuisfront zien wat er werkelijk in een oorlog gebeurt. De Amerikaanse Burgeroorlog, midden 19de eeuw, geldt als eerste fotografisch geregistreerde oorlog. Dat de fotografen daar echter pas ná de oorlogshandelingen op het slagveld aan het werk gingen en zelfs de slachtoffers dramatischer neerlegden werd aanvankelijk genegeerd. Rooseboom gaat nog verder door de als de neutrale registratie beschouwde portretfoto’s van August Sander te kenschetsen als naar zijn hand gezette, immobiele tijdgeschiedenisjes.

Tekstloze fotoseries benadrukken de kracht van het beeld maar impliceren zeker niet dat de fotograaf de werkelijkheid trouw bleef.

Rooseboom komt met een pijnlijk voorbeeld van de Russisch-Berlijns joodse fotograaf Roman Vishniac. In 1937 maakte hij fotoseries van joodse gemeenschappen in Karpat-Ruthenië in opdracht van een joodse hulporganisatie. Daarop werden zijn portretfoto’s buiten zijn medeweten misbruikt in antisemitische fotoboeken. Ontvlucht naar de VS presenteerde Vishniac ze nog eens, nu met het verhaal dat hij ze in eigen beheer had gemaakt. Een fotoboek uit 1983 combineerde Vishniac-foto’s die niets met elkaar te maken hadden. Rooseboom stelt dat Vishniac niet de enige beeldmaker was die voor de goede zaak losjes met feitelijke achtergronden en (suggestieve) bijschriften strooide.

Na 180 jaar is de fotografie publieksbreed omarmd. Sinds 1960 verzamelen en exposeren musea  fotografie als serieuze kruisbestuiving tussen beeldende kunst en sociale geschiedenis. En er zijn fotobeurzen zoals sinds kort het druk bezochte Unseen in Amsterdam.

Passend dus dat Rooseboom besluit met een gealfabetiseerd thematisch overzicht over het verzamelen van foto’s voor particulieren. Trouwens, fotoboeken van inmiddels vermaarde fotografen zijn nu ook gewilde verzamelobjecten.

Zo komt de lezer ook de criteria te weten die Mattie Boom en hij als conservatoren van het Rijksmuseum hanteren. Ze gaan uit van een zelfverzonnen principe dat je door het enorme aanbod alleen moet bieden op foto’s met een uniciteit waarvan je allebei overtuigd bent. Toch zwichtte hijzelf een keer voor de verleiding om over het zelf gestelde budget heen te gaan bij een curieuze, anonieme röntgenfoto van een magnoliabloem uit 1910. Zeker, het museum moest 10% meer neerleggen dan was gepland maar de gemaakte ansicht van de doorzichtige magnolia verkoopt erg goed: als condoleancekaart.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Kijk ook naar de besprekingen van Chris Reinewald van Mattie Boom’ Everyone A Photographer en New Realities en kortgeleden Anneke van Veens Modern Perspectives