Zondag, 28 maart, 2021

Geschreven door: Rochefoucauld, François de La
Recensie door: Lansink, Cyril

Maximen

Mensen zijn niet goed

[Recensie] François de la Rochefoucauld (1613-1680) behoorde als hertog tot de hoogste Franse adel in de zeventiende eeuw en speelde een belangrijke rol in de politieke verwikkelingen van zijn tijd. Dat wij hem nu nog kennen heeft echter een andere reden: zijn bespiegelingen over de mens, de zogeheten maximen, die de tand des tijds glansrijk hebben doorstaan.

Het gaat om elegant geschreven korte stukjes tekst, meestal niet meer dan een of twee zinnen, en vaak te lezen als een soort spreuken, die met grote vanzelfsprekendheid allerlei wijsheden over de menselijke aard te berde brengen.

Erg verheven is die aard niet. En dan druk ik me voorzichtig uit. Met zijn maximen ontmaskert La Rochefoucauld de mens en diens vermeende goedheid. Ze maken de schone schijn zichtbaar van de liefde, de gevoelens en de moraal, ja van alles waar de mens zich graag op voorstaat en waarmee hij zijn leven glans wil geven. Moed, trouw, bewondering, vriendschap, mededogen, bescheidenheid, oprechtheid, vrijgevigheid etc. – door de motieven erachter bloot te leggen toont de schrijvende hertog deze deugden als een stuk minder fraai dan ze op het eerste gezicht lijken te zijn. (Het is niet toevallig dat Friedrich Nietzsche, die twee eeuwen later ook de morele pretenties van de mens genadeloos doorprikte, in een van zijn aforismen de lof uitsprak over zijn Franse voorganger: ‘La Rochefoucauld lijkt op een scherpschutter die voortdurend in de roos schiet.’)

Wat zijn die motieven? Wat beweegt de mens? Eerst en vooral zijn eigenliefde, de ‘amour-propre’. Met modernere woorden: de mens is gericht op zichzelf,  eigenbelang, zelfbehoud en macht staan bij hem voorop. Dit zijn de drijfveren waarop al zijn handelen kan worden teruggevoerd, zoals vertaler Maarten van Buren het in zijn verhelderende nawoord zegt. Daarmee liep de hertog vooruit op het mensbeeld dat in de 18de eeuw verder werd ontwikkeld door schrijvers als Adam Smith en Bernard Mandeville, die aan de basis stonden van de economie als wetenschap van het welbegrepen eigenbelang.

Hereditas Nexus

De mens is dus een zelfzuchtig wezen, ook in die gevallen waarin hij ogenschijnlijk zijn zelfzuchtigheid heeft afgelegd ten gunste van een ander dan hijzelf, een hoger doel of een algemener belang. Vele maximen getuigen van dit inzicht.

“Deugden monden uit in eigenbelang zoals rivieren in zee.”

“Eigenbelang spreekt allerlei talen, en speelt allerlei rollen, zelfs die van de onbaatzuchtigheid.”

“Vrijgevigheid is bijna altijd ijdelheid: we houden meer van het gebaar dan van het geven.”

“Medelijden is vaak een herkenning van onze pijn in andermans leed. Het is een verstandige voorzorg voor het ongeluk dat ons te wachten staat. We helpen anderen om er zeker van te zijn dat zij ons in soortgelijke omstandigheden helpen, en de diensten die we hen bewijzen zijn als het ware een investering in onszelf.”

“We vergeven onze vrienden graag de gebreken waar wij geen last van hebben.”

“In ons verdriet spelen allerlei vormen van huichelarij een rol. In een eerste vorm doen we alsof we het verlies bewenen van iemand die ons dierbaar is, maar bewenen we in feite onszelf. […] De overledenen worden dan ook geëerd met tranen die alleen voor de levenden worden vergoten.”

“We prijzen mensen alleen om er zelf beter van te worden.”

“Verknochtheid aan onze geliefde komt eerder voort uit eigenliefde dan uit liefde.”

“De meeste mannen nemen in oorlogstijd voldoende risico om hun eer te redden. Slechts enkelen zijn bereid zoveel risico te nemen als nodig om het doel te bereiken waarvoor ze risico’s te nemen.”

“Dankbaarheid werkt op dezelfde manier als vertrouwen bij kooplui: ze houdt de handel gaande. Wij betalen niet om te vereffenen, maar om onze kredietwaardigheid te vergroten.”

“We zouden ons voor onze nobelste daden schamen, als iedereen onze motieven kon zien.”

Zie hier een kleine greep uit La Rochefoucaulds schatkist vol moreel-psychologische ‘waarheden’ over de mens. Of we die waarheden altijd zullen en moeten beamen is de vraag: is zijn mensbeeld niet te negatief en te cynisch? Moeten we ons neerleggen bij de gedachte dat eigenbelang de alfa en omega van al onze houdingen en handelingen is? En dat onze morele goedheid daarom bijna altijd door hypocrisie en ijdelheid wordt (be)geleid? Is er geen waarde, geen deugd die zich weet te onttrekken aan de mechanismen waarmee de eigenliefde zich voortdurend breed maakt? Is de mens afdoende begrepen met deze ontmaskering?

Hoe het ook zij: La Rochefoucaulds maximen blijken ook in de 21ste eeuw het lezen meer dan waard. Soms laten ze je glimlachen of bevestigend knikken, regelmatig irriteren ze vanwege hun al te grote stelligheid of doen ze je steigeren omdat ze zo opzichtig generaliserend zijn. Maar bovenal zetten je aan tot nadenken over je eigen vermeende deugen, de (on)oprechtheid van je gevoelens, de echtheid of dubbelzinnigheid van wat je doet, verlangt of denkt. Ondanks de kloof tussen La Rochefoucauld en ons – een kloof in tijd en context – en ondanks dat een aantal van zijn denkbeelden (met name die over vrouwen en hun relatie met mannen) erg gedateerd zijn, hebben veel van zijn maximen maar weinig aan actualiteit ingeboet. De hertog reikt ons over eeuwen heen de hand.

Zo veranderlijk immers is de mens in wezen niet. Zelfbedrog – in voelen en denken, in geluk en moraal,  in liefde en vriendschap – én het verlangen dit bedrog te doorzien, ze zijn van alle tijden.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles