Dinsdag, 26 januari, 2021

Geschreven door: Boersma, Hidde
Boudry, Maarten
Bodelier, Ralf
Artikel door: Keulartz, Jozef
Pekelharing, Pieter

Meer

In tegenstelling tot Jason Hickel, zien de auteurs van de bundel Meer juist toekomst in méér groei, consumptie en globalisering. Hoewel deze invalshoek waardevolle inzichten oplevert, is het jammer dat sommige auteurs als kleuters achter hun modernistisch geloof in vooruitgang aanhollen.

Modernisering als afgoderij

[Recensie] Wat is er mooier dan een wereld waarin mensen liefdevol omgaan met de natuur, waarin hun behoeften beperkt zijn en de wereld klein en overzichtelijk is? Voor wie naar zo’n wereld streeft, is ‘minderen’ de aangewezen strategie: minder groei, minder natuurvernietiging, minder verkwisting.
Op zich valt voor zo’n benadering veel te zeggen. Mits je die niet verabsoluteert, goed de alternatieven afweegt en onderzoekt wat de mogelijke gevolgen zijn. Hetzelfde geldt voor degenen die in de bundel Meer. Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt vooruitgang met ‘modernisering’ associëren: met meer groei, meer consumptie, meer globalisering, meer verstedelijking, meer wetenschap, meer technologie, meer innovatie en ‘creatieve destructie’.
De bundel is een vervolg op de bundel Ecomodernisme. Het nieuwe denken
over groen en groei
uit 2017. Elf van de zestien hoofdstukken zijn door dezelfde auteurs geschreven.

Ecomodernisten nemen afstand van het doemdenken van de oude natuurbeweging, die het Antropoceen uitsluitend beschouwt als een potentiële ecologische ramp. In plaats daarvan verwelkomen zij dit ‘tijdperk van de mens’ als een nieuwe stap in de vooruitgang van de mensheid. De techno-fobie van de traditionele natuurbeweging maakt bij de ecomodernisten plaats voor een uitgesproken techno-triomfalisme. Anders dan de traditionele milieuactivisten en natuurbeschermers beschouwen de ecomodernisten het bedrijfsleven niet langer als grote boosdoener maar juist als belangrijke bondgenoot, waarmee je moet samenwerken om natuurbeleidsdoelstellingen en economische activiteiten doelmatiger op elkaar af te stemmen.
De ecomodernisten verleggen de nadruk op de bescherming van de biodiversiteit omwille van zichzelf naar de versterking van die natuurlijke systemen die aan een zo groot mogelijk aantal mensen ten goede komt, in het bijzonder aan de armen. Zij zien de natuur niet zozeer als een verzameling van soorten maar eerder als een bundel van ecosysteemdiensten. En zij pleiten voor een aanpak waarin de mens en de verbetering van het menselijk welzijn een centrale rol spelen.
Ook deze invalshoek levert waardevolle inzichten op. Mits je voldoende ruimte tussen de begrippen ‘vooruitgang’ en ‘modernisering’ overlaat om te kijken of de keuze voor ‘meer’ in alle gevallen de aangewezen weg is.

Karikatuur
Wie een zinnige discussie wil opstarten over welke aanpak onder welke omstandigheden de voorkeur verdient, moet vóór alles voorkomen dat voor en tegenstanders een karikatuur van elkaar scheppen. Maar dat is precies wat in dit boek gebeurt. Heb je bedenkingen tegen de ecomodernistische verabsolutering van economische groei? Dan ben je tegen vooruitgang! Zijn er bezwaren tegen ongebreideld toerisme? Dat houdt de welvaart tegen! Twijfel je aan de waarde van genetische modificatie? Daar spreekt irrationele afkeur tegen modernisering uit! Sterker nog, dan ben je volgens de auteurs waarschijnlijk links. Want links kiest blind voor minderen. Erger nog, links bedreigt ieders individuele vrijheid omdat ze de gemeenschap boven het individu stelt, het voorzorgsprincipe heilig acht en daarmee innovatie tegenhoudt.
Natuurlijk zijn er altijd voorbeelden te vinden van ‘minderaars’ die deze karikatuur bevestigen. Net zoals sommige auteurs in dit boek omgekeerd als kleuters achter hun modernistisch geloof in vooruitgang aanhollen.

Boekenkrant

Collectieve verdwazing
Neem bijvoorbeeld Jaffe Vink die in zijn ‘intermezzo’ elke criticus die het waagt kanttekeningen te plaatsen bij het succes van de Groene Revolutie – de laatste, grote landbouwrevolutie die zich voor een groot deel tussen 1960 en 1980 voornamelijk in de Aziatische landbouw voltrok – onmiddellijk van ‘collectieve verdwazing’ beticht. Of neem Ralf Bodelier hoofdstuk 13) die zo sterk overtuigd is van het wetmatig verband tussen individuele vrijheid en de moderniseringstrits van innovatie, welvaart en duurzaamheid dat hij geheel vergeet dat China – een land dat hij in zijn artikel expliciet verfoeit – in korte tijd, zonder enige ontwikkelingshulp, twintig miljoen mensen uit de armoede heeft getild. China loopt sinds kort voorop op het gebied van onderzoek naar AI en doet wat aantallen innovaties en patenten betreft niet onder voor het vrije Westen. Bovendien heeft het land onlangs aangekondigd dat het in 2060 volledig klimaatneutraal hoopt te zijn. Bodelier vermeldt in zijn stuk weliswaar de kapitale fouten die China bij de uitbraak van het coronavirus maakte, maar vermeldt niet dat China het virus inmiddels beter onder controle lijkt te hebben dan de VS of Europa. China is een dictatuur. Het kan zijn dat de cijfers die naar buiten komen de werkelijkheid mooier voorstellen dan ze is. Maar ook als de cijfers minder rooskleurig zijn, laten de ontwikkelingen in dat land zien dat individuele vrijheid geen noodzakelijke noch een voldoende voorwaarde is voor de vooruitgang die volgens Bodelier wetmatig op de individuele vrijheid volgt. Individuele vrijheid is een groot goed. Maar de link tussen vrijheid en vooruitgang is stukken complexer dan Bodelier in zijn naïeve vooruitgangsgeloof veronderstelt.

Juichverhalen
Vrijwel elk hoofdstuk in het boek begint met juichverhalen over Meer!, waarna, in het beste geval, de link met de gewenste vooruitgang van een stevig aantal mitsen en maren wordt voorzien. Zo blijkt ‘meer toerisme’ (hoofdstuk 15) niet vanzelf tot meer ‘begrip voor andere culturen’ te leiden; leidt ‘meer welvaart’ (hoofdstuk 14) niet automatisch tot ‘meer geluk’; levert ‘meer betutteling’ (hoofdstuk 16) niet vanzelf ‘meer vrijheid’; blijkt ‘meer ontwikkelingshulp’ (hoofdstuk 6) niet altijd even goed te werken; en biedt verstedelijking (hoofdstuk 5) niet zonder meer een uitweg uit de armoede. Zo heftig gaan de auteurs te keer tegen alles wat naar minderen zweemt dat ze overal vijanden zien. Neem Bruno Latour, in hun ogen een belachelijke minderaar. Ze vergeten dat Latour een essay over Mary Shelley’s roman Frankenstein schreef – Love Your Monsters – dat een prominente plaats kreeg in een bundel van, jawel, twee grondleggers van het ecomodernisme, Shellenberger en Nordhaus. Die vonden de titel van Latours essay zo mooi dat ze hun bundel prompt dezelfde benaming gaven.
Volgens Latour was het niet Frankensteins misdaad dat hij een monster had geschapen, maar dat hij zijn schepsel in de steek had gelaten. Hij had hem beter met wat meer attentie en toewijding op het rechte pad kunnen houden. De bundel is op z’n sterkst op de enkele plekken in het boek waar de auteurs hetzelfde doen: hun voorstellen met zorg de wereld insturen. Verstokte doemdenkers en exuberante modernisten: de enige manier waarop ze in hun blindheid kunnen volharden is door zich te spiegelen in elkaars excessen.

Eerder verschenen in De Helling

Jozef Keulartz is emeritus hoogleraar milieufilosofie aan de Radboud Universiteit en als senior onderzoeker verbonden aan Wageningen Universiteit. Onlangs verscheen zijn boek Boommensen (Noordhoek natuur). Pieter Pekelharing doceerde jarenlang filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds zijn emeritaat is hij publicist.