Dinsdag, 26 april, 2011

Geschreven door: Moring, Marcel
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Mendel

Kiem van manco’s en manie voor Möring

Vanwege het verschijnen van de Marcel Mörings nieuwste roman, Louteringsberg, herleest Recensieweb zijn oeuvre. Deze recensie is daar een van de resultaten van.

Wie het debuut van Marcel Möring, Mendel (eerst verschenen als Mendels erfenis, in 1990), leest, en daarna zijn nieuwe roman, Louteringsberg, stuit op een veelvoud van overeenkomsten. * In heel veel is Mendel Adenauer de voorafschaduwing van Marcus Kolpa, en in decor en thematiek blijkt Mendel vooral de aanzet tot een oeuvre te zijn. Maar dit personage is nog maar een adolescent en Mendel is een debuut, dus de liefde heeft een prominente rol en de stijl is af en toe nog wat stroef. Toch is deze eerste roman de moeite waard, ook zonder al die voorkennis.

De volheid van adolescentie: Mörings manco‘s
Mendel, verwekt door een onbekende, opgevoed door zijn moeder en zijn grootouders, joden, die alledrie de oorlog overleefden, is in alles een late tiener, vroege twintiger: eigenwijs, grootsprakerig, overtuigd van een groot en eenzaam eigen gelijk, en onzeker in de liefde. En tegelijk is hij niet doorsnee, is zijn pessimistische kijk op de wereld een directe vrucht (een erfenis) – al ontkent hij dat – van de wereld zoals de holocaust, de collaboratie en de passiviteit van de omstanders die onthuld hebben. Zijn gebral wordt er wranger, maar niet origineler op: ‘“Eén verkeerde stap, […] één verkeerd woord, en het is allemaal weg, The Piper At The Gates Of Dawn, avonden waarop het negentientachtig en negentienvijftig tegelijk is. Eén beweging en alles is anders.” Wat hij eigenlijk wilde zeggen (of beter nog: zingen) was: “Mein junges Leben hat ein End.”’

Mendel gaat over dat jonge leven en dat einde, en vooral de psychologie achter die neergang, dus sentimentaliteit past. Gezwollen taal past, die nadrukkelijkheid past. Maar het is wel wat veel, zeker als later Mendel begint te zwijgen, en zijn denken en nadrukkelijke weersomstandigheden (regen! sneeuw!) de pagina’s gaan vullen. Maar ook eerder al buitelen de beelden over elkaar heen. Over auto’s op de snelweg, gezien vanuit een droge sloot:

Wordt Vervolgd

‘Ze leken op roeiboten, hun wielen onzichtbaar, de wagen zelf door het donker afgerond als een scheepje, roeiboten die als straaljagers over een zwarte rivier van asfalt scheerden. Het deed hem denken aan het sprookje van de veerman aan de kust, die ‘s nachts de zielen van de gestorven Hollanders overzet naar Engeland, het land van de doden. Als op een nacht zo’n supersonische roeiboot vaart zou minderen en aanlegde aan de berm en een veerman in zwarte mantel, het hoofd gehuld in een kap, hem riep, was hij onmiddelijk ingestapt.’

De hartslag van het leven: Mörings kwaliteiten
Mendels grootouders zijn kort op elkaar gestorven – grootvader na een soort slaapziekte -, zijn moeder reist af naar Israël, hij slaagt voor zijn middelbare school. Met lof, maar hij gaat niet studeren, want hij weet niet wat hij wil worden. Zijn beste vriend, Wessel (denk aan Albert in Louteringsberg), met wie hij wijn dronk en rondzwierf, gaat naar het buitenland, en ‘de hartslag van het leven daalde’. Hij schrijft een brief aan zijn moeder, die barst van de pretentie, maar ook mooi is, en geestig:

‘Gisteren zat ik in de kamer en dacht ik: De wereld is een verhaal, bedacht door een oude man in de hemel, die op een omgekeerde zinken emmer zit, in gesprek met zijn geest, die op het aanrecht zit. En die geest zegt: “Er klopt geen donder van.”’

Als u iets uit Mendel wilt lezen, lees dan dit. Maar het boek is wel om meer redenen de moeite waard. Mendel droomt en herinnert en af en toe zijn we terug in het hier en nu. Al snel blijkt dat hij in de war is, maar niet waarvan. Möring smeedt een afwisseling die de nieuwsgierigheid tot het uiterste beproeft, in de details verrast, en door het wroeten in de oorzaken van Mendels geestelijke afdwalen, word je geconfronteerd met de wortels van waanzin en de impact van de holocaust. Hij blijkt bij herlezing uitstekend in staat om met de opeenvolging van verhalen en fragmenten spanning en ruimte voor nieuwsgierigheid te creëren.
Elders op deze site noemt Marleen Louter In Babylon een thrillerachtige roman, en Louteringsberg heeft ook elementen van het spannende boek: misschien moeten we vaststellen dat Möring niet alleen een themavast schrijver is, maar ook een vakman in het structureren van zijn boeken.

Ook goed aan Möring: hoezeer ook Mendels woorden grote, lege woorden zijn, hoe vaak hij clichés net niet weet te ontwijken, de zinnen kloppen en ze passen in dit verhaal: ‘Dat is de pest met mij, denkt hij, ik heb geen verleden, geen toekomst, nauwelijks een heden zelfs. Ik ben geen zelfstandig mens. Een product ben ik, de laatste uitstulping van een allang afgeronde geschiedenis.’

Of hier, nog zo’n stapeling van beelden, maar nu rustiger, met meer pauzes en ritme:

‘Zijn grootvader had hem grootgebracht in de overtuiging dat er tussen de geestelijke wereld van de joden en die van de christenen braakland lag, een groot, open, verwilderd terrein. Men kon elkaar bij helder weer zien, soms was er na geroep over en weer, maar wie zou het, na alles wat was gebeurd, na al dat geschonden vertrouwen, in zijn hoofd halen in dat braakland te gaan wonen? Dorre bodem was het, bebloede grond, als in de Elzas, waar zoveel Duits en Frans bloed was gevloeid, waar zoveel lijken door de aarde waren opgenomen, dat er zestig, zeventig jaar later nog miltvuur uitbrak onder de schapen.’

Een kiem: Mörings oeuvre
In elke zin die voor citeren in aanmerking komt, komen de thema’s terug – de oorlog, de joodse identiteit, geschiedenis, herinnering, eenzaamheid – en allemaal komen ze terug in Mörings latere werk. De zin die volgt op het vorige citaat raakt de plot en die rode draad: ‘Dat was het land dat hij zou moeten betreden om Anna te zien, om haar te naderen.’ Zijn liefde voor Anna van Twickel tot Dinkeloo, landadel (‘Tegenover Anna voelde hij zich als een onaanraakbare tegenover een brahmaan.’), blijkt al snel bezwaard door de collaboratie, destijds, van haar ouders. Niet dat het Mendel wat kan schelen, niet dat het uitgesproken wordt, niet dat iemand van de eerste generatie nog leeft – inmiddels zijn ook Mendels moeder en Anna’s ouders gestorven -, maar het speelt.

Bij haar, bij haar grote huis in het bos op de berg, komt hij aanzwerven, zonder te weten waarom (‘Ik was in de buurt.’, ‘Ik ben komen lopen.’), bij haar keert hij terug na drie jaar te hebben gezwegen in een sanatorium. Of hij haar krijgt, dat is de vraag, en dat antwoord krijgt de lezer, maar wat hem bezielt, of er nog orde komt in zijn hoofd, dat niet. Mendel wordt nergens een zoete puberroman, en evenmin een heftig filosofisch essay of psychologische baksteen – het blijft een kiem. In de eerste plaats van een doordenken, terugbladen, reconstrueren, herwaarderen, en in de tweede van een oeuvre.

* Voor de turvers onder u de overeenkomsten: net als Marcus Kolpa in Louteringsberg is Mendel door een onbekende verwekt, is zijn moeder naar Israël vertrokken, en sterft ze. Net als Albert is Wessel een boezemvriend. Net als Jacob Noach heeft Wolf Adenauer een groothandel. Net als in In Babylon en Louteringsberg is er het grote huis midden in het bos (waartegenover in Mendel het station staat, de vlucht en het begin van de holocaust). En net als in Het grote verlangen speelt herinnering en vergeten een rol in deze roman. Keer terug.