Zondag, 4 oktober, 2020

Geschreven door: Onbekend
Artikel door: Veenstra, Arthur

Met Nietzsche de bergen in

Al hikend op zoek naar Nietzsches bronnen

[Recensie] John Kaag, docent filosofie aan de universiteit van Massachusetts, trekt in het voetspoor van Nietzsche de Zwitserse Alpen in. Dat levert een boeiend boek op. Kaag neemt de lezer niet alleen mee op reis door de werken van Nietzsche, maar ook in een Nietzscheaanse worsteling met zijn eigen ongerealiseerde verwachtingen in het leven.

Wandelen met Nietzsche
Kaag is een filosofiedocent die is gespecialiseerd in het werk van Nietzsche, en hij introduceert zichzelf daarnaast zelfbewust als iemand die de middelbare leeftijd heeft bereikt, voor de tweede keer is getrouwd, en inmiddels samen met zijn tweede vrouw een jong dochtertje heeft gekregen. Hij verkeert in een levensfase waarin de verantwoordelijkheden zich opstapelen en de opgelegde regelmaat van het werk- en gezinsleven verdovend kan werken. Zijn leven voldoet bij lange na niet aan de hoge verwachtingen die hij ooit als jongeling had. Het compromisloze ideaal dat Nietzsche verkondigde, om alle conventies te verwerpen en een authentiek pad in het leven te banen, lijkt verder weg dan ooit. Kaag worstelt met zichzelf en stelt een van Nietzsches indringende vragen:

“Laat de jonge ziel op haar leven terugblikken en de vraag stellen: wat heb je tot dusver waarlijk liefgehad, wat heeft je ziel aangetrokken, wat heeft haar bezeten en tegelijk gelukkig gemaakt?”

Kaag citeert hier Nietzsche uit het werk Oneigentijdse beschouwingen. Nietzsche stelde dergelijke vragen om zichzelf en zijn lezers te helpen om de weg te vinden naar hun authentieke zelf, de weg naar het ‘worden wie je bent’. Op zoek naar antwoorden besluit Kaag, met zijn gezin in het kielzog, af te reizen naar Sils Maria.

Nederlandse Natuurkundige Vereniging

Wandelen met Nietzsche in de bergen van Sils Maria – al mediterend op grote levensvragen – is inmiddels een soort traditie. Nietzsche brak zijn academische carrière in Bazel abrupt af, om die in te ruilen voor een wandelend schrijversbestaan onder het motto dat “alle waarachtig grote gedachten ontstaan tijdens het wandelen”. De laatste jaren van zijn productieve leven bracht Nietzsche dan ook voornamelijk door in bergachtige gebieden, met name in het schilderachtige bergdorp Sils Maria in Zwitserland. Daar, in die ijle berglucht, schreef hij onder meer een belangrijk deel van zijn magnum opus Aldus sprak Zarathoestra. Al snel na zijn dood in 1900 groeide Sils Maria uit tot een pelgrimsbestemming voor de culturele elite van Europa. Onder meer Hermann Hesse, Thomas Mann, Rilke, Adorno en Marcuse verbleven maanden – en soms zelfs jarenlang – in Sils Maria.

Nietzsches verheffingsfilosofie
Tegen de achtergrond van zijn familievakantie en de natuurpracht van Zwitserland behandelt Kaag in chronologische volgorde vrijwel alle werken uit Nietzsches oeuvre. In ieder hoofdstuk staat een werk centraal: van De geboorte van de tragedie tot zijn postuum gepubliceerde Nagelaten fragmenten. Deze opzet, aangevuld met tal van biografische anekdotes over Nietzsches heftige leven, resulteert in een levendig beeld van Nietzsche en zijn filosofie. Tot zover is zijn aanpak niet bijster origineel binnen het genre ‘wandelen met Nietzsche’, maar Kaag voegt daar een extra dimensie aan toe. Hij maakt de filosofie van Nietzsche relevant door haar te koppelen aan een nietsontziende blik op zijn eigen leven. Hij plaatst de reis naar Sils Maria namelijk in de bredere context van zijn leven, zijn worsteling met anorexia, zijn depressiviteit en zijn rol als vader en echtgenoot. In feite doet hij een poging om uit Nietzsches filosofie een positief antwoord te destilleren voor zijn eigen leven en dat tilt zijn boek boven het gemiddelde uit van dit genre. Dé test van Nietzsches filosofie is namelijk het criterium dat Nietzsche zelf stelde aan kennis: verzwakt bepaalde kennis het leven, of laat die kennis het leven juist floreren?

Worden wie je bent
Wat de meeste lezers van Nietzsche gemakshalve negeren is dat zijn radicale verheffingsideaal was bestemd voor monumentale mensen, de genieën. De eerste zin van Nietzsches boek De Antichrist kondigt bijvoorbeeld aan dat dit boek bestemd is voor “de zeldzamen”, waarvan er “misschien zelfs nog niemand leeft”. Denk aan mensen in de categorie Nelson Mandela, Julius Caesar of Jezus Christus: mensen die in staat zijn om immense druk en intens lijden om te zetten in iets dat de mensheid en onze cultuur omhoogtilt. Het mag duidelijk zijn dat de gemiddelde man of vrouw onder een dergelijke levensmissie zou bezwijken. Nietzsche zag dat heel goed in en hij geeft dan ook mildere ethische richtlijnen voor de massa.

Eén van Nietzsches hartenkreten is het motto dat op de toegangspoort van de Oud-Griekse tempel van Delphi stond gebeiteld: ‘Ken jezelf!’ Wat betekent dat voor het gewone volk, mensen zoals jij en ik? Het volk is volgens Nietzsche onder meer bedwelmd door het gelijkheidsideaal. De gelijkheidsmythe stelt ons in staat om de genieën naar beneden halen: ze zijn helemaal niet zo bijzonder, ze zijn in een rijke familie geboren, hebben alleen maar geluk gehad, etc. Of andersom, als iedereen gelijk is, kun je jezelf natuurlijk ook wijsmaken dat iedereen bijzonder is en jij dus ook. Nietzsche waarschuwt dat er een grote wreedheid schuilgaat in het gelijkheidsideaal, een wreedheid die mensen laat lijden. Tegenwoordig hebben veel mensen bijvoorbeeld het gevoel dat ze bijzonder moéten zijn en dat kan nogal confronterend zijn als je dat niet bent. Nietzsche noemde het gelijkheidsideaal dan ook het meest ‘giftige vergif’. Hoe helpt een dergelijk inzicht om ‘te worden wie we zijn’? Paul van Tongeren, een Nederlandse Nietzsche-specialist, vat de ethiek van Nietzsche als volgt samen: je moet het wildste paard berijden dat jij aankan. Daarvoor moet je op de eerste plaats een realistisch beeld hebben van jouw vermogens – ook al zijn die waarschijnlijk erg beperkt – om zodoende passende uitdagingen te kiezen die jou laten groeien. De gewone uitdagingen van het leven zijn prima geschikt voor de gemiddelde mens: het lef hebben om een gezin te stichten, het besluit om de veiligheid van een vaste baan los te laten en zzp’er te worden enzovoorts. Met andere woorden, ook de gewone man en vrouw moet streven naar verheffing, maar dan wel naar een milde variant van de radicale missie die gereserveerd is voor de waarlijk grootse mensen.

Wilde berggeit of schaap?
Kaag beschrijft dat hij als 19-jarige al hoopte om op zijn wandeltochten rond Sils Maria de berggeiten te zien waarover Nietzsche schreef: de zogenaamde ‘gems’. Maar tot zijn teleurstelling was hij die berggeiten nog nooit tegengekomen. Wilde berggeiten waren voor Nietzsche een metafoor voor de grootse mens: berggeiten weten op grote hoogte te overleven, onder barse omstandigheden en zonder bescherming van een warme stal. Schapen daarentegen waren voor Nietzsche juist de metafoor voor het volk: ze leven vooral in de dalen en in de veiligheid van de kudde. Het verlangen van Kaag om die gems te zien is dan ook een metafoor voor zijn verlangen om een monumentaal Nietzscheaans leven te leiden, een radicaal leven waarbij de mens reikt naar het sublieme. In het geval van Kaag neemt dat streven schrijnende vormen aan. Op gespannen voet met de familievakantie, probeert hij toch opnieuw die eenzame tochten te maken die hij als jongeling ook ondernam. En dat doet hem geen goed. Het leidt tot dezelfde depressieve gedachten en een terugkeer van de anorexia die zijn vroegere bergtochten ook kenmerkten. En toch kan Kaag dat streven maar niet loslaten. Als lezer zou je tegen hem willen zeggen: laat dat Nietzscheaanse ideaal los, dat is het laatste dat iemand moet willen die leidt aan depressies en anorexia. Een dergelijk leven is een veel te zware opgaaf voor iemand die al moet worstelen om zich simpelweg staande te houden (door ondervoeding valt hij diverse keren op zijn tochten). Het ‘wildste paard’ van Kaag is de uitdaging om te leren leven met zijn depressieve episodes, om zijn anorexia te genezen, en simpelweg gelukkig te worden met je gezin. De verslechterende mentale staat waarin Kaag verkeert ontgaat zijn scherpzinnige echtgenote uiteraard niet. Het leidt tot een harde confrontatie, waarin ze hem wijst op zijn terugtrekgedrag en zijn verantwoordelijkheden als vader en echtgenoot. Door die confrontatie schikt hij zich tijdelijk in zijn rol, maar toch blijft het verlangen naar die zuivere Nietzscheaanse ervaring in hem doorsudderen.

Op de laatste dag van de reis maken hij en zijn vrouw een wandeling naar Nietzsches favoriete plek en dan gebeurt er iets wat voor mij de catharsis is van het hele boek. Kaag meent op een bergkam een aantal berggeiten te zien, en hij begint vol enthousiasme aan zijn vrouw de Nietzscheaanse betekenis uit te leggen van die berggeiten. De berggeiten zijn een affirmatie: ‘eindelijk toch nog een overwinning’. Maar de werkelijkheid haalt een duivelse grap met hem uit. Als ze dichterbij komen begint zijn vrouw luidkeels te lachen, en wijst hem erop dat hij zich vergist heeft: het zijn juist schapen! Als ze hun pad vervolgen, richting de schapen, wordt hij duizelig, zijn stappen onzeker, hij gaat onderuit, en als ze op een rots uitrusten heeft hij een soort zenuwinzinking. Als hij zich weer enigszins hersteld heeft, voegen hij en zijn vrouw zich bij de kudde schapen en bewegen als onderdeel van de kudde mee het dal in. Ze blijken beland te zijn in de jaarlijkse migratie van de schapenkudde. In de lente worden de schapen losgelaten om te grazen op de bergweiden, om voor de komst van de winter weer te worden teruggedreven naar de lagergelegen stallen. Maar Kaag heeft het ‘dedain’ voor de schapen nu losgelaten, en in zekere zin is dit het moment dat hij accepteert dat hij een schaap is: ‘nog steeds wild, zij het in het verborgene’. En die zelfacceptatie is wat mij betreft een essentiële Nietzscheaanse overwinning. Het kost blijkbaar nogal wat moeite voor een ‘millennial’ – John Kaag is geboren in 1979, net voor de start van de millennialgeneratie – om te accepteren dat je een gemiddeld mens bent, in de middenklasse, met een mooi gezin, een prima carrière, en dus, in de specifieke Nietzscheaanse zin, een schaap.

De Nietzscheaanse worsteling die het boek doortrekt is precies wat het zijn spanning en relevantie geeft. Kaag slaagt erin, zoals Nietzsche voorschreef, om zijn eigen persoonlijke geschiedenis en die van zijn familie ‘in zich te trekken en te transformeren tot bloed’. Met andere woorden: door volledig eigenaarschap te nemen van wie je bent en waar je vandaan komt, kun je dat omzetten in iets moois, iets dat levensbloed in zich draagt. En het resultaat is er dan ook naar. Met Nietzsche de bergen in is een aanrader met een rijke, maar tegelijkertijd tragische dimensie.

Eerder gepubliceerd op ifilosofie.nl