Zaterdag, 4 september, 2010

Geschreven door: Campert, Remco
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Om vijf uur in de middag

Schrijvers incognito

De nieuwe Campert is geen roman, een ijzersterke verhalenbundel evenmin, maar een lang, indrukwekkend verhaal in aangenaam gezelschap van andere verhalen. Het is het laatste en titelverhaal van Om vijf uur in de middag, die de teleurstelling over de iets te lichte, aardige verhalen ervoor goedmaakt. Je hebt dan al kennis gemaakt met een handvol jonge schoolverlaters zonder idee, overrijpe mannen met writers’ block, een dierenminnaar en een asielzoeker, alle bedoeld voor het schrijverschap, maar de geheim agent die zich tot dichter ontpopt, is verreweg de interessantste van het stel.

Dat schrijverschap maakt deze bundel tot een eenheid, net als de flashbacks naar vergelijkbare jonge jaren (niet zelden in de Tweede Wereldoorlog, als oorlogswees), en ja, het is verleidelijk een verhalenbundel als deze als een roman te lezen. De scheidslijn met een mozaïekroman is dun, en als de ordening een ritme doet vermoeden, als de thema’s elkaar afwisselen en aan intensiteit winnen, en als je personages begint te herkennen. En als de romanlezer in je (de roman blijft toch de norm, schijnbaar, zie de Booker Prize, de Libris Literatuurprijs, de beste boeken van het millennium volgens De Groene) niet al opspringt bij zulke hints, dan toch zeker de recensent, die zich voor een eenvoudiger, overzichtelijker klus gesteld ziet.

Onterecht. Ondanks motieven en rode draden heeft elk van de verhalen in Om vijf uur in de middag zijn eigen karaktertrekken, zijn eigen plotlijnen, al zijn er sterkere en zwakkere. Om met dat laatste te beginnen.

De jonge schoolverlater: ‘Bestseller’

Wandelmagazine

‘Ik, Wim Klein, wil neuken en wel zo snel mogelijk.’

Er is weinig meer voor nodig dan zo’n zin om de leeftijd van een personage te duiden. Wim Klein is een middelbaar scholier die niet meer naar school wil, en besluit een bestseller te schrijven. ‘Bestseller. Dat woord komt niet uit het niets.’ Zijn inspiratiebron: Jan Cremer, over wie hij in de tv-gids las.
Wim komt niet ver. Er is een zoet verhaal van zijn oma over Jan Cremer en er is een verliefdheid: ‘Ik hoop dat Naïma er weer is en ik tegen haar durf te zeggen dat ik van haar gedroomd heb. Dat neuken moet maar even wachten.’
Campert is hier op zijn lichtst, maar niet op zijn best. Het is zoet, het is niet slecht geschreven, maar het is niet scherp en evenmin urgent. Zo’n eerste verhaal blijkt geen goed teken, al belooft het tweede verhaal beter.

De gevestigde auteur: ‘Seks met dieren’
Naast twee jongensverhalen zijn er een drietal schrijversverhalen. ‘In dit verhaal is hij een schrijver, zoals in alle andere verhalen die hij schreef. Alleen in zijn poëzie is hij geen schrijver,’ merkt de verteller op in ‘Luchtdichter’, waarin triviale dagboekaantekeningen een hortend schrijven moeten verhullen. Het is waar: ook de jongens zijn schrijver, en de hoofdpersoon van ‘Om vijf uur in de middag’ heeft ‘dichter’ in zijn paspoort staan. Maar dat schrijverschap is in ‘Seks met dieren’, het eerste en puntigste verhaal van het drietal, secundair.

‘Op een kwade dag had men de schrijver Berend Roes in de dierentuin betrapt tijdens het verrichten van ontuchtige handelingen met een steengeit. Het gebeurde op een lauwe zomeravond, de dierentuin was al gesloten. De politie werd erbij gehaald.’

De grap wordt semi-nonchalant begonnen, alleen de handelingen en de geit vallen uit de toon. Nuchter wordt de temperatuur en het vervolg geschetst: arrestatie. De straf is een dierentuin- en dierenwinkelverbod en therapie. ‘Schrijf het dan op, als u er niet over praten kunt. Of wilt,’ dringt de arts aan. ‘Alsof het zo makkelijk was – je schrijft het gewoon op en dan ben je er vanaf – had hij hier mogelijk niet gezeten.’ Zo vermengt zich de grap, met referenties naar personen die aan Mutsaers (met haar Koetsier Herfst) en een andere lijstduwer van de Partij voor de Dieren (Maarten ‘t Hart?) doen denken, met een veeg uit de pan voor de therapeutisch schrijvers.
En dan grijpt Berend Roes uiteindelijk maar naar ‘de ultieme Walt Disney-porno, Bambi‘. ‘Seks met dieren’ is harder dan het openingsverhaal, maar nog steeds minder urgent dan grappig.

Op leven en dood en geheimen: ‘Om vijf uur in de middag’
‘Johannes ‘s Gravenhage zat in een vliegtuig, op weg naar een stad die hij nog niet kende. Wat hij er ging doen zou hij van Stein te horen krijgen.’ In maar twee eerste zinnen is ‘s Gravenhages beroep vastgesteld, maar meteen onschadelijk gemaakt: de hoofdpersoon weet het niet. Daarmee is als het ware een license to wander verleend, en kruipt de geheim agent in de huid van de dichter (zo staat het immers in zijn valse paspoort), op een leeftijd waarop James Bond-acteurs allang gemaand zijn in romantische komedies te spelen. Maar spanning als uit de film blijft:

‘Ze haalde haar vingers door haar haar. Hij kon haar ruiken, een geur van zweet en zoet parfum. Hij zag haar knieën en een stukje van de huid erboven. Een gevoel van lust trok door zijn lendenen en sloop weer weg. Hij had geleerd het te beheersen.
“Je was laat,” zei ze. “Ik had je eerder verwacht.”’

Campert haalt alle clichés uit de kast, maar inderdaad, onze vooralsnog onder valse naam gaande hoofdpersoon beheerst zich. Lijkt zich te beheersen. De kracht van dit verhaal, en het verhaal ís sterk, is niet de tieten-schieten-en-helikoptersspanning van bovengenoemde actieheld, maar het gegeven dat iemand echt kennen gevaarlijk is in dit beroep. Hij had zijn grote liefde Moïra (what’s in a name) bij toeval leren kennen, maar hij heeft haar nooit echt leren kennen, en zo is hij haar ook weer kwijtgeraakt, als een vreemde.
Het professionele buitenstaanderschap ondermijnt niet alleen zijn romantische leven, inmiddels maakt elke stellige uitspraak hem meteen onzeker. Het gestuntel met zijn opgelegde rol van dichter en toerist is Campertiaans, en past wonderwel in de verdwijning van de machoman in zijn rol.

‘Nu hij zelf de prooi kon zijn, moest Johannes tegen zijn natuur in gaan en zich weerhouden van al die kunstjes. Hij was immers een toerist, een dichter die niet op het idee zou komen dat er iemand was die zijn gangen naging. Hij kon zich voorstellen dat een dichter zijn neus volgt zonder om te kijken, op zoek naar plekken waar poëzie kon ontstaan. Het was ook mogelijk dat de poëzie hem schaduwde en met haar onzichtbare aanwezigheid hem dwong andere, onvoorziene wegen in te slaan. Als de poëzie zich niet liet afschudden, gaf de dichter zich gewonnen. Hij ging zijn schaduw tegemoet en leverde zich uit.’

Sterker, en dat ontdek ik nu bij tweede lezing: de geheim agent wordt een dichter, een dichter in geheime diensttermen. Dat hij amper een woord op papier zet, is geen bezwaar te noemen: dat doet geen van de schrijvers in deze bundel. En is het niet een dichterlijke handeling van deze literaire James Bond om een ontslagboodschap door een toilet te spoelen?

’s Gravenhage vervalt – net als de meeste van Camperts personages in deze bundel – in existentiële twijfel. Zijn overtuiging over wat hij moet, wat hij kan – schrijven? – is in een impasse. Tegelijk lijkt die twijfel deuren te openen naar iets beters, hogers, vrijers. Waar die vrijheid makkelijke open eindes oplevert in de andere verhalen van Om vijf uur in de middag, waar die vrijheid als het ware voor het grijpen ligt, direct consumeerbaar, is ze in het titelverhaal nu eens níét zonder consequenties. ‘s Gravenhages geschiedenis heeft een urgentie, een spanning, die zich niet zomaar laat oplossen. Dit is literatuur, dit is de moeite waard, dit blijft. Alleen om dit verhaal al moeten we Campert blijven volgen, schaduwen, in al zijn gedaantes van jongeling tot oudere schrijver. En hopen dat een afrekening uitblijft.