Vrijdag, 3 april, 2020

Geschreven door: Ó Cadhain, Máirtín
Artikel door: Nooij, Marjon

Onder zoden

Gekakel, gekonkel en geklaag op een begraafplaats

“Ní mé an ar Áit an Phuint nó na Cúig Déag atá mé curtha?
D’imigh an diabhal orthu dhá mba in Áit na Leathghine a chaithfidís mé,
th’éis ar chuir mé d’fhainiceachaí orthu!”

“Lig ik nou op het perceel van een pond of op het perceel van vijftien shilling?Of zijn ze helemaal van de pot gerukt en hebben ze me,
tegen al mijn aanwijzingen in, toch op het perceel van een halve guinea gegooid?”
Caitríona van kleine Pádraig

[Recensie] Onder de zoden – in Ierland in 1949 uitgebracht onder de titel ‘Cré na Cille’ – wordt gezien als het meesterwerk van Máirtín Ó Cadhain (spreek uit als ‘Moortsjien O Kain’).

Hij geldt als de belangrijkste Iers-talige schrijver van de 20ste eeuw en wordt vaak in één adem genoemd met James Joyce, die ook wel weg wist met experimentele schrijverijen, zoals hij dat in Ulysses vertoont.

Onder de zoden is zo’n experimentele, modernistische klassieker, geschreven in het oorspronkelijke, Ierse dialect (Gaelic), de moedertaal van de auteur. Hierdoor bleef de internationale erkenning voor zijn werk echter lang uit. Deze roman is opgebouwd uit tien bedrijven, die op hun beurt weer bestaan uit zes hoofdstukken. Zoals toentertijd wel gebruikelijk was, kwam het in 1949 eerst in feuilletonvorm uit in de krant. Hierdoor komen er – overigens absoluut niet storende, maar juist bevestigende – herhalingen voor in de tekst. De eer viel The Irish Press te beurt. In hetzelfde jaar kwam ‘Cré na Cille’ uit in boekvorm. Heden ten dage is het in Ierland nog altijd het meest (voor-)gelezen boek, dat ook regelmatig het onderwerp is van leesclubs. Uitgeverij Bananafish heeft zich niet laten kisten en heeft deze wonderlijke klassieker nu ook voor de Nederlandse lezer bereikbaar gemaakt.

“Ik ben de klaroen van het kerkhof. Laat mijn stem gehoord worden! Er moet worden geluisterd …
[…] Onder de zoden bestaat tijd noch leven. Er is licht noch duister. Hier is geen zonsondergang, geen springvloed, geen veranderlijke wind, geen weersomslag. Noch lengen hier de dagen, noch verschijnen hier het Zevengesternte en de Grote Beer; noch hult het rijpende wezen zich hier in vrolijke feestkledij. Hier geen dartele kinderogen. Noch de fiere verlangens van de jonge man. Noch de rozerode wangen van een jonge vrouw. Noch de stem van een lieve moeder. Noch de berustende glimlach van de ouden van dagen. Ogen, verlangens, wangen, stemmen, een glimlach: in de onverschillige mengkroes der aarde wordt alles één pot nat. […] Dit is niets anders dan een aarden kleerkast waar de afgedragen pakken des levens door de motten worden aangevreten …”

Het heeft lang geduurd voor iemand zich op de vertaling durfde te storten, omdat er heel lang vanuit werd gegaan dat het simpelweg onvertaalbaar zou blijken. Alex Hijmans studeerde Iers in 1995 en heeft de stoute schoenen aangetrokken om dit lijvige en gecompliceerde werk in anderhalf jaar tijd, vanuit het dialect van de streek rond Conamara, in het Nederlands te vertalen. Het is een boek met een absoluut hoge graad van originaliteit, want de personages zijn allemaal dood.

Gesprekken onder de grond? Dat is nou precies waar het in dit boek om draait. Het hele boek is één grote dialoog. Dit houdt automatisch in dat er van het eerste tot en met het laatste woord in spreektaal is geschreven. De doden klagen, mopperen, maken ruzie en schelden op elkaar dat het een lieve lust is. Hele gesprekken worden er onder de zoden gevoerd. Het dorp boven de grond is een besloten gemeenschap, waar de levenden elkaar nauwgezet in de gaten houden, alles van elkaar lijken te weten en ze elk dubbeltje moeten omdraaien in een tijd dat de Tweede Wereldoorlog zijn sporen achterlaat. De graven op het kerkhof zijn gebruikt als metafoor voor het beklemmende en benepen leven in het dorp. Het zet zich na de dood gewoon voort.

“- Op mijn begrafenis zijn weinig mensen gekomen. Het hele dorp van Ouwe Donncha was net naar Engeland vertrokken, en hunnie van het schrale veld en van bij de van Ouwe Sadhbh ook…
– En wat zeg je van Caitríona, Kitty, die sinds de dag dat mijn vader is overleden geen voet meer over de drempel heeft gezet, terwijl zij ik weet niet hoeveel pond van zijn goede thee opgedronken heeft…
– Horen jullie die sloerie van een Bríd? En die kale kip van een Kitty met die in de haardas opgewarmde piepers van haar?… […]-De hele streek is op onze begrafenis geweest. Er waren journalisten van de krant en fotografen en…
– Op mijn begrafenis kwam eerst een telegram van Arthur Griffith en over mijn graf werden ereschoten afgevuurd…
-Je liegt!”

Voor de lezer is het beslist een uitdaging om dit hilarische boek te lezen en ‘brood te bakken’ van de kakofonie van gekonkel en gepoch op het kerkhof van Conamara. Het vergt even tijd om de personages te leren kennen, want slechts zelden worden ze met hun naam aangesproken. Ze kakelen door elkaar heen, luisteren bijna niet naar elkaar, proberen elkaar te overtreffen, bespreken met elkaar waar ze eigenlijk dood aan zijn gegaan en wie kan zeggen dat zijn kist van betere, dus duurdere kwaliteit is dan die van de ander.

Om nieuwtjes uit de wereld boven de grond te horen moeten de bewoners van het kerkhof wachten op nieuwe overledenen. Hierdoor komt ook de lezer steeds meer te weten over hetgeen er zich boven de grond heeft afgespeeld. Door al dat geklets wisselen de perspectieven bliksemsnel. Al zal het in het begin lijken of er geen touw aan de gesprekken vast te knopen is, al lezende wordt het snel duidelijk met wie je te maken hebt. Ongetwijfeld is het niet altijd even helder, maar dat is dan ook niet belangrijk. Gewoon doorlezen en je mee laten voeren.

Elke dode heeft een eigen stem gekregen, zijn eigen typerende woorden en manieren van spreken, waardoor het steeds duidelijker wordt wie er aan het woord is. Om maar eens een paar uitspraken te noemen; Bah, boe! Godnogantoe!’, ‘Potvolblommen‘, ‘Honest‘, ‘Bij de bloederige tranen en wonden van Jezus Christus‘, ‘My goodness me‘.

Caitríona van kleine Pádraig, een nog vers lijk, opent het verhaal met de vertwijfelde vraag of ze wel op het juiste perceel ligt, het duurdere welteverstaan, want die instructie had ze voor haar dood al gegeven. Ook was het haar uitdrukkelijke wens (lees: eis!) dat er een kruis van grijs kalksteen, kalksteen van het eiland, net zo een als op het graf van Peadar van de pub” op haar graf zou tronen, maar ook dat lijkt een onvervulde wens te worden.

In deze roman heeft ze het hoogste woord en je kunt van haar niet zeggen dat ze liefdevol praat over de levenden. Met name haar zus Nell van kleine Pádraig – die door de mensen uit hun buurt wél wordt gewaardeerd – moet het bij haar ontgelden. Het is haar namelijk gelukt om met Jack Keuterboer in het huwelijk te treden. Iets waar Caitríona zich mateloos kwaad om maakt, omdat zij Jack graag zelf had willen strikken, maar zij is getrouwd met Seán Ó Loideáin.

Dat haar zoon tegen haar wil in is getrouwd met “Nóra, dat wijf van ginder bij het schrale veld vol modderpoelen, waar ze naar verluidt de eenden melken” is een nagel aan haar doodskist. Wanneer er een jonge knul boven haar wordt begraven, vraagt ze hem het hemd van het lijf. Wie er naar haar uitvaart zijn gekomen en hoeveel belangstelling er was? Hoeveel geld er in de collectezak is beland? Door alle nieuwtjes en haar opgekropte woede, wordt ze steeds kwader. De uitbarsting van al haar ergernissen bewaart ze voor het einde van de meeste hoofdstukken wanneer ze uitroept “ik ontplof, ik ontplof, ik ontpl..!”

Een kleine greep uit de namen en bijnamen van personen ónder en bóven de grond zijn: Nóra van de vieze voeten, Kitty van de in de haardas opgewarmde piepers, Máirtín Pokkenkop, Rooie Tom, Gladde Stiofán, en Tante Pos die in het postkantoor enveloppen open stoomde, het geld dat ze daarin vond inpikte en vervolgens de enveloppe weer dichtplakte.

Vooral de Schoolmeester heeft onder de zoden een metamorfose ondergaan. Hij was altijd zo’n keurig man, een voorbeeld voor elke bewoner, maar wanneer hij verneemt dat zijn vrouw er geen gras over heeft laten groeien en al zo snel opnieuw is getrouwd, is zijn boosaardige gevloek niet van de lucht. De auteur laat haarfijn doorschemeren hoe de verhoudingen tussen de bewoners liggen en zich ontwikkelen. Zoals ik al aangaf, het boek bestaat alleen uit dialogen en er wordt niets over de omgeving geschreven, maar het is niet moeilijk om je een voorstelling te maken van de ‘huisvesting’ van de doden. Ze kunnen geen kant meer op, kunnen niemand ontwijken en zijn aan elkaar overgeleverd. En een belangrijke boodschap is het feit dat ze niets geleerd lijken te hebben van de fouten die ze bij leven hebben gemaakt. Hier onder de zoden gaan ze gewoon weer verder waar ze eens zijn opgehouden.

De cover van dit boek is heel ‘sprekend’. Het zijn tekstballonnetjes die hun pijl naar beneden richten. De woorden komen van onder de grond. Voor wie de uitdaging van het lezen van deze hilarische, maar tevens hartverscheurende satire aangaat, zijn er prachtige leesuren te beleven. Ik noem het een uitdaging, omdat het geen gemakkelijke roman is, maar absoluut de moeite waard om te beleven. Een meesterwerk! Zo wordt het niet voor niets genoemd!

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken