Vrijdag, 1 september, 2017

Geschreven door: Zeh, Juli
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Ons soort mensen

Een dorp vol witte Don Quichots

[Recensie] Het verhaal zou zich in Oost-Groningen kunnen afspelen, of op het Roemeense Platteland, in de Ardennen, in Noord-Frankrijk, in Sicilië, in wezen in elke arme plattelandsregio in Europa, maar in Ons soort mensen, de nieuwe roman van de Duitse schrijver Juli Zeh, werd het een dorpje in het voormalige Oost-Duitsland, een uur rijden van Berlijn. In het boek staan de tegenstellingen tussen het platteland en de stad en tussen rijke en arme regio’s centraal.

Het dorp heet Unterleuten, wat letterlijk ‘onder de mensen’ betekent en wat ook de titel van de vertaling had kunnen zijn. De mensen in Unterleuten zijn in rep en roer door de aangekondigde komst van windmolens, een regelrechte bedreiging voor de natuur en de gemeenschap, althans dat is aanvankelijk de mening in het dorp. Had het verhaal zich in Oost-Groningen afgespeeld dan zou het natuurlijk gaan om de gaswinning daar, waarmee de politiek in Den Haag al decennialang de provincie veroordeelt tot aardbevingen en in Roemenië had het verbod op het afschieten van beren een prachtig boek kunnen opleveren. Leuk bedacht dat verbod, door de milieubobo’s uit de stad; voor de plattelandsbevolking zijn de beren niet bepaald een pretje. In andere streken zou het het dumpen van afval kunnen zijn of de bouw van een veel te groot asielzoekerscentrum.

In de rijke regio’s van een land (de Randstad, Brussel-Vlaanderen, West-Duitsland, Parijs, Noord-Italië) bepaalt een haast heilige kongsi van politiek en kapitaal hoe het er in de zwakke regio’s op het platteland aan toe gaat. Ons soort mensen is naast dat het een schitterend geschreven (en vertaalde) menselijke soap is, daarover verderop in dit stuk meer, vooral een schets van hoe de moderne politieke en economische systemen de zwakke regio’s in Europa vermorzelen. En daarmee is het een van de meest politieke en economische romans van de afgelopen tijd. Want er is geen redding voor de zwakke plattelandsregio, zo laat Ons soort mensen zien. Het platteland heeft geen invloed en geen macht en zal telkens elke geplande ramp moeten accepteren vanwege het grote geld dat door de rijke regio’s beschikbaar wordt gesteld en de daarbij behorende werkgelegenheid. Er is altijd wel wat verzet, maar dat is symbolisch en ritueel, uiteindelijk slikt het platteland alles.

In de meest cynische passage in Ons soort mensen beschrijft Zeh de gewiekste vertegenwoordiger van Vento Direct, het bedrijf dat verantwoordelijk is voor de bouw en exploitatie van de windmolens in Unterleuten. Al in veertig dorpen in de regio heeft deze vertegenwoordiger, de twintiger Pilz, presentaties gegeven. Zijn tactiek: “Het was de kunst om de afkeuring tot het kookpunt op te schroeven, de woede vervolgens te laten verdampen en dan argumenten aan te dragen die duidelijk maakten dat er geen alternatief bestond voor het hele project. Op die manier ontstond de indruk dat het om complexe materie ging met een zekere noodgedwongenheid. Dat verwarde de mensen. Pilz hoefde geen instemming; hij hoefde alleen berusting.” Als een dorpsbewoner dreigt dat de windmolens er nooit zullen komen antwoordt “de Pilz-knul” doodleuk: “U begrijpt niet dat die windenergie er hoe dan ook komt, of u nu wilt of niet […] Ik ben hier om samen met u de beste weg te vinden.”

Wandelmagazine

Aanvankelijk is praktisch iedereen in Unterleuten tegen de windmolens, maar al snel verbrokkelt de eenheid. De één gaat om vanwege een dreigement, een ander kiest voor werkgelegenheid en weer een ander kan een stuk grond aan Vento Direct verkopen.

De windmolens drijven de mensen uit elkaar, maar Zeh laat zien dat feitelijk het idee van een vreedzame dorpsgemeenschap altijd al een farce was. In de eerste honderd pagina’s heb je als lezer nog sympathie voor bijna alle hoofdrolspelers. Elk hoofdstuk wordt vanuit een van de vijftien hoofdrolspelers geschreven. Je leest over hun verlangens, hun dromen, hun idealen, maar ook over hun verdriet en pijn en bij al deze mensen snap je wat ze beweegt. Ze zijn er ook bijna allemaal, bijna alle denkbare karakters uit onze moderne tijd: de geflipte hippie die vanuit Berlijn met zijn vrouw, het onschuldige bloemenmeisje, in Unterleuten is komen wonen om daar zeldzame vogels te beschermen; de Tokkie buurman die een autowerkplaats heeft en meteen ruzie gaat maken met de hippies; de bejaarde rijke boer aan wie alle arbeiders een hekel hebben, maar die wel zorgt dat het hele dorp aan het werk is; het verwende paardenmeisje uit de grote stad, een millennial, die in Unterleuten kost wat kost een manege wil starten; haar vriend, de veel verdienende computernerd die alles slikt wat zij wil; de opperarbeider die in de DDR-tijd een hele baas was, maar nu natuurlijk niet meer; de burgemeester die de boel bij elkaar probeert te houden, maar  voor wie niemand ontzag heeft, en wiens vrouw bij de Stasi werkte en jaren rapporten over hem schreef, zo bleek toen ze stierf; de gewiekste West-Duitse zakenman die voor een prikje landbouw- en natuurgronden opkocht en nu eigenaar is van half Oost-Duitsland, maar die toch weer sympathiek lijkt omdat hij zich zo’n zorgen maakt over zijn verslaafde zoon; de jaloerse echtgenoot van de grootgrondbezitter; en natuurlijk ook zijn minnares en zo verder.

Zeh gebruikt prachtige volzinnen, om de mensen en onze moderne tijd te kenschetsen. “Alles moest de hele tijd maar groeien en vooruitgang nastreven, maar niemand wist nog welke kant het eigenlijk uit ging.” Of: “Opeens lag alles vast, en Linda [het paardenmeisje/rd] begreep dat het leven belangrijke beslissingen nam zonder eerst te overleggen”. De mensen in Ons soort mensen zijn heel knap naar het leven getekend, zonder moeite kon ik bij elk karakter iemand uit mijn eigen omgeving aanwijzen. De rijke boer lijkt op een oom in Zeeland; het paardenmeisje op de ex van een goede vriend die haar paarden belangrijker vond dan haar gezin; de opperarbeider op die irritante medewerker, die natuurlijk OR-lid is en altijd vertelt wat er niet deugt, maar zelf nooit een poot uitsteekt. Als u voor de winteravond nog een leuk spel wilt doen… Lees het boek en bevraag elkaar op wie u uzelf en de mensen uit uw gezelschap uit Unterleuten vindt lijken en waarom. Succes verzekerd. Het wordt een spannende avond, maar misschien uiteindelijk niet zo gezellig als ook de minder leuke kanten van alle karakters worden besproken. In Unterleuten worden die zichtbaar als Zeh de bewoners in actie laat komen rond de kwestie van de windmolens, dan is het ieder voor zich, blijken idealen verkapt egoïsme, kun je niemand meer vertrouwen en krijgen oude vetes een hoofdrol.

Twee zaken ontbreken in Unterleuten. Op de eerste plaats heeft de multiculturele samenleving het dorp niet bereikt. Ik vraag me af waarom Zeh daarvoor heeft gekozen. Zonder enig probleem had ze ook nog wel een Turks gezin of asielzoekerspand in het dorpje kunnen plaatsen, dat had het verhaal meer compleet gemaakt. Het tweede is meer essentieel en welbewust door Zeh weggelaten. Er is geen God in Unterleuten, of beter er is niemand die religieus is, religie speelt er geen enkele rol. Het is de moderne samenleving ten voeten uit, platteland of niet, waar Dostjoveski’s waarschuwing realiteit is geworden met zijn “Als God dood is, is alles geoorloofd.” En als iedereen alleen maar voor zichzelf leeft, zijn eigen windmolens bevecht of probeert te bouwen, zonder dat er een God is of beter zonder dat er een collectieve moraal is, een collectief plan, dan maakt dat elke gemeenschap gemeen wordt, extreem gemeen, ook een zogenaamd vreedzaam dorpje ergens op het platteland in Europa. Of in de woorden van Nietzsche: “Jede Gemeinschaft macht, irgendwie, irgendwo, irgendwann — gemein.”

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

DLVAlive Utrecht (9-10) en DLVAlive Haarlem (16-10) wijden elk een avond aan Ons soort mensen. In Utrecht is vertaler Annemarie Vlaming de gast. In Haarlem is germanist Roel Russcher de gast.