Woensdag, 29 augustus, 2012

Geschreven door: Hauchecorne, Koen
Artikel door: Deijl, Lucas van der

Op de hoogte

Een wankeltocht van ‘ik’ naar ‘jij’

‘Ga nu en wankel naar haar ; die ik niet ken.’, luidt het veelzeggende motto van Hugo Claus, voorin Op de hoogte, de debuutroman van Christophe Van Gerrewey. Claus richtte deze tien woorden tot zijn verzen; voor Van Gerrewey vormen ze de kern van Op de hoogte. De hoofdpersoon schrijft een lange brief aan zijn verloren geliefde. Het is een laatste poging tot contact, een laatste wankeltocht op zoek naar haar die hij ooit liefhad. En het blijft natuurlijk bij een poging: zowel de ik- als de jij-figuur blijven niet alleen naamloos, maar ook onkenbaar. Op de hoogte stelt een klassieke vraag: kunnen wij een (geliefde) ander ooit kennen?

De ik-figuur verblijft tijdelijk in het huis van vrienden en schrijft daar deze tekst aan zijn vroegere vriendin, met – niet te vergeten – alle andere lezers als getuigen. Hij blikt terug op de tijd die zij samen hadden, maar hij reflecteert ook op de aard van zijn voorbije relatie en op de reden van het schrijven van deze brief. Uiteindelijk geeft hij toe:

‘De mooiste bijwerking van deze kruising tussen een brief en een roman zou er echter in kunnen bestaan dat er iemand, eindelijk, in alle objectiviteit, kan zeggen wat er tussen ons is gebeurd en wat we aan elkaar gehad hebben (…) – ik weet het in elk geval steeds minder.’

Het samenzijn tussen de ik- en de jij-figuur verliep altijd moeizaam, zo blijkt uit de terugblik. Voor beiden leek samenwonen altijd onmogelijk. Liefst vluchtten ze samen naar het huis van vakantievierende vrienden. En steeds ging er dan iets mis: een vlooienplaag brak uit, de ik-figuur raakte zijn telefoon kwijt, of de jij-figuur werd verkouden. Steeds werd het samenzijn verhinderd om praktische of pietluttige redenen. Zij waren niet in staat zich te binden aan een vaste verblijf- of woonplaats en belangrijker: zij konden zich niet binden aan elkaar.

Bazarow

Tegen het einde van het boek voert de ik-figuur de jij-figuur op die alle opgekropte woede en irritatie uitspreekt tegenover hem. Voor het eerst krijgt de lezer een andere kijk op de ik-figuur, maar door die abrupte en enige perspectiefwisseling blijft dat nieuwe beeld wankel. Aan het einde van het boek zijn beide hoofdpersonages weer – of nog steeds – onbekenden.

Die onkenbaarheid komt ook tot stand door de afstandelijke, onpersoonlijke stijl van de ik-figuur. Net zomin als dat hij kan doordringen tot zijn geliefde, weet hij in zijn tekst tot de kern te komen. Seks blijft een niet nader te noemen ‘activiteit’ en over Muisje, de kat van zijn vrienden (en metafoor voor de jij-figuur), schrijft hij:

‘Hij heeft slechts aandacht en contact nodig en ik denk dat mijn vrienden hem buitensporig hebben verwend op het vlak van de aandacht en het contact, twee dingen die tot de meest verslavende fenomenen behoren die je aan een levend wezen kunt schenken.’

Voor de ik-figuur zijn dergelijke omslachtige en lange zinnen functioneel voor zijn romantische verlangen en onkunde om contact te maken met zijn geliefde. Bij Van Gerrewey zijn zulke formuleringen echter vaag (‘dingen’, ‘fenomenen’) en soms ronduit lelijk. Want zijn ‘aandacht’ en ‘contact’ twee wezenlijk verschillende ‘fenomenen’? En kun je contact ‘schenken’?

Toch vind ik het bijzonder hoe vorm en inhoud samenvallen in Op de hoogte. De roman is één lange weeklacht van de ik-figuur over het verdriet om haar die hij niet kent. En tegelijkertijd slaagt hij er niet in om haar te verbeelden, haar tot leven te wekken, opdat al die andere lezers haar kunnen kennen. Haar identiteit als personage blijft onduidelijk, maar ook het beeld van haar verhoudt zich niet tot haar als persoon, zo zegt hij zelf: ‘Je zult gechoqueerd zijn door de versie die ik van jou heb neergezet’. En hij vervolgt: ‘(…) ik wil morgen niet meer opnieuw beginnen, omdat ik weet dat het morgen evenmin zal lukken om iets te maken waar ik tevreden mee ben’. Op de hoogte is die romantische poging van de ik-figuur om haar in fictie te vangen en om zo achteraf tot haar en tot zijn eigen herinneringen door te dringen.

De ik-figuur speculeert tot slot over de ontvangst van zijn ‘briefroman’ en ironisch somt hij enkele vormen van academisch of quasi-academisch getheoretiseer over literatuur op. Hij vermoedt dat er onder andere zal worden gespeculeerd over ‘de onmogelijkheid van de liefde in de eenentwintigste eeuw, al was het maar op praktisch vlak’. En hij krijgt gelijk. Ik twijfel namelijk of deze al dan niet ironische speculatie te algemeen is of juist te beperkt. Enerzijds vraag ik mij af wat de eenentwintigste eeuw ermee te maken heeft: ‘de onmogelijkheid van de liefde’ is weliswaar een gigantisch thema, maar Op de hoogte raakt er prachtig aan. Anderzijds denk ik dat de speculatie te ver gaat: is liefde echt onmogelijk doordat geliefden elkaar nu eenmaal nooit helemaal zullen kennen, begrijpen, accepteren? Of liep deze wankeltocht naar de ander enkel in dit geval uit op weinig echt contact tussen de ‘ik’ en de ‘jij’?

Naast de fundamentele vragen die Op de hoogte oproept, moet er ook een gesteld worden met betrekking tot de specifieke relatie uit het verhaal. Uiteindelijk is het onbevredigend dat ook ik als lezer geen antwoord weet op de vraag die de ik-figuur zichzelf al stelde: wat hebben zij aan elkaar gehad? Waarin toonde zich zo’n grote liefde tussen hen dat ze aanleiding gaf tot alle emoties van de ik-figuur?


Eerder verschenen op Recensieweb

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *