Donderdag, 25 november, 2021

Geschreven door: Jefferson, Margo
Recensie door: Mourits, Bertram

Over Michael Jackson & Van Elvis-Viering tot U2-Dienst

Hemel en hel in de popmuziek

[Recensie] Toen Margo Jefferson begon aan haar boek over Michael Jackson, was het de bedoeling om de balans op te maken. Enkele jaren na zijn overlijden was het mogelijk geworden om een verhaal te schrijven dat aan mens en kunstenaar recht doet, en waarbij de rechtszaak een prominente, maar geen beslissende plek kreeg. Het boek verscheen in 2006. En toen kwam de documentaire Leaving Neverland, die de pijnlijkste vermoedens bevestigde, en alles weer door elkaar gooide. Jefferson schreef een uitgebreide nieuwe inleiding, en de rest van het essay kon eigenlijk onveranderd blijven. Want Over Michael Jackson. Een analyse van The King of Pop was al erg goed. Jefferson vertelt over de dominante vader, de liefhebbende maar machteloze moeder, over de dwingende context van kerk, gezin en ras. Ook zijn platenlabel en de roem vormden een gevangenis, en beïnvloedden het werk. Het was Jackson nooit vergund om samen te vallen met zijn publieke persona – dus is hij steeds een tussenfiguur: niet wit, maar ook niet meer zwart. Een man, maar wel heel vrouwelijk: ‘een genderpoject dat nog in de steigers stond’, aldus Jefferson. Vooral haar analyses van de videoclips zijn ijzersterk, want overal ziet ze hoe Jackson zich als tussenfiguur presenteert. Jefferson schrijft aanvankelijk vanuit bewondering voor Jackson, maar ook wanneer ontzetting de overhand neemt, overheerst de nuance.

Het is wel vaker opgemerkt: het lijkt soms alsof het popconcert de rol van de kerkdienst heeft overgenomen: de rituelen, de samenzang, het opgaan in een groter geheel. In Van Elvis-Viering tot U2-Dienst nemen drie predikanten de vlucht naar voren. Fred Omvlee, Jan Andries de Boer en Piet van Die vertellen over de manier waarop ze popmuziek gebruiken tijdens kerkdiensten. Vaak gaat dat bijna vanzelf, zoals met de gospels van Elvis Presley of de belijdenissen van Johnny Cash. Dat die twee geen rimpelloze levens hebben geleid, is alleen maar goed: het maakt de zeggingskracht juist groter. Soms vergt de toepassing iets meer religieuze lenigheid (U2, BlĂžf, liedjes uit de Top2000). Leuk zijn de praktische tips: de luidsprekers van een gemiddelde kerk zijn niet geschikt voor popmuziek, dus er moet echt een professionele geluidsinstallatie komen: ‘Een majestueus kerkorgel laat je toch ook niet door zulke luidsprekers horen?’ Bij vlagen ligt wel het gevaar van culturele toe-eigening op de loer. Is ‘Imagine’, waarin Lennon zich voorstelt dat er geen religie zou zijn, echt geschikt? Dat de melodie ‘aangenaam en meditatief’ is, lijkt me hier bijzaak. Ook Patti Smith is een opvallende keuze, zij begint haar debuutplaat immers met een daverend ‘Jesus died for somebody’s sins, but not mine’. Uit dergelijke keuzes blijkt wel dat de liefde voor muziek bij de drie overal doorheen breekt: zelfs Frank Zappa wordt genoemd, weliswaar omdat zijn het gebruik van zijn muziek ‘tĂ© satirisch zou uitpakken’, maar de naam van deze grote held moest genoemd.

Eerder verschenen op Heaven

Sociologie Magazine