Maandag, 3 januari, 2005

Geschreven door: Bouazza, Hafid
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Paravion

Luchtpost uit Amsterdam

Luchtpost uit Amsterdam blijft ongelezen in Morea, dor land achter de Navelzee, waar schaarste spreekwoordelijk is en niets hoop geeft op een beter leven. Niets dan vertrek. Baba Baloeks vader Baba Baloek is al tien jaar vertrokken als hij gevolg geeft aan de vermoede boodschap van zijn vader, en gaat. Zijn zwangere vrouw blijft achter en sterft na Baba Baloek gebaard te hebben, de derde generatie Moreanen zwart als roet, geboren herders, naïeve dromers in vijandige streken.

Dit is de opmaat van Bouazza’s roman Paravion, waarin nog wel enkele brieven ongelezen zullen blijven, witte uilen dode zielen zijn en de vallei Abqar, traditioneel woonplaats voor demonen, zijn dorheid aflegt.

‘Een amandelboom stond als eerste in bloesem.
De bomen in de vallei begonnen op aanwijzing van de wind te spreken, schudden hun bladeren als een menigte wasvrouwen hun wasgoed, de beek stroomde vastberaden en bracht verkoeling, de vijgen rijpten. In het water dreven de gouden vruchten die de zon liet vallen. De geiten waren welgevoed en een droevig vibrato klonk door in hun gemekker. Het voorhoofd van Baba Baloek was mooi rond, hij had de mond van zijn moeder, de bovenlip ietwat opgekruld bij de snijtanden, de onderlip hing lichtelijk en vormde een kleine bekken waarin speeksel glinsterde en die het tandvlees blootgaf. Hij had een charmante, ronde wipneus, zijn wimpers krulden trots op als de bladen van een lelie in volle bloei. In het wit van zijn oogbollen lag een verre, heiige hemel begraven.’

De siamese tweeling Cheira en Heira, kruidenheksen van professie, voedt de jonge Baba Baloek op tot herder van de twee geiten. Een geheimzinnig meisje in de vallei geeft hem lessen in de liefde en maakt hem daarmee zeer geliefd onder de meisjes van het dorp. Tegelijkertijd is hij verstoteling onder de jongens, de enige overgebleven mannen in het dorp. Maar in dit magische land blijft niets hetzelfde en is de dood een natuurverschijnsel. De tweeling sterft, Baba Baloek wordt vader, en besluit uiteindelijk zijn grootvader en vader na te reizen.

Bazarow

Daar, in Paravion, het Amsterdam van de mirage tijdens de middagslaap, leven de mannen uit het dorp een troosteloos bestaan. Ze houden zich onledig met het drinken van kruizenmuntthee en het bekritiseren van de zeden en het mussentaaltje van dit nieuwe land. Een enkeling slaat een vrouw van daar aan de haak, in triestheid culminerend als de tapijthandelaar een typisch Jordanese alcoholiste, ‘met krulspelden, badjas en armen van deeg’, verovert. Een tijdelijke terugkeer naar Morea wordt noodzakelijk, om de kuisheid terug te vinden bij de dochters uit het dorp.

Ongrijpbare, of tenminste onbegrijpelijke, vrouwen vormen het tegenwicht aan de domme, lompe mannen uit dit verre land. Thuis én uit zijn die niet tevreden: in Morea is Paravion de stad van hun dromen, maar eenmaal daar blijkt het vaderland weer de enige redding – nu van de zeden. Dwazen zijn het, want als hun werkelijkheid Bouazza’s beschrijvingen maar enigszins benaderde, was het hen overal goed toeven:

‘Fruitverkopers, ijscomannen, verkopers van gekoelde Orangina en orgeade, staande achter kleine karretjes, en venters van van alles en nog wat zongen de lof en de prijs van hun waar. Gendarmes, de baret op het hoofd of in de broekzak, liepen rond met zwarte knuppels die tegen het dijbeen zwaaiden en verjoegen nu en dan een arme marskramer om een parodie van dienstbetrachting op te houden. Gehurkte negers, geroosterd door de zon, in scharlaken kledij en met zwarte mutsen versierd met venusschelpen, roosterden pinda’s. Kiosken boden kranten, tijdschriften, sigaretten en ansichtkaarten te koop aan. Een bij werd misleid door de afbeelding van een roos op een kaart en botste ertegenaan, op zoek naar een ingang tot die dimensie.’

Als de achtergrond in zo’n opsomming van beelden voortvloeit, lijkt hij voorgrond te worden, en het verhaal, van de schreeuwerige mannen die weglopen van de ellende en de mooie, zelfstandige vrouwen, lijkt een futiliteit bij de stijl. Die kabbelt het hele boek door en blijft even verfrissend

Als je dan dit boek in poëtisch proza nog uit wilt leggen als een pamflet, dan niet over gastarbeiders en hun achterlijke cultuur, maar over schoonheid, schoonheid die onterecht ondergeschoven wordt, en die meer verdient.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *