Dinsdag, 8 januari, 2013

Geschreven door: Jong, Oek de
Artikel door: Jenowein, Annette

Pier en oceaan

De Gesel van Gods Woord

Maar weinig nieuwe romans hebben hun schaduw al zo ver vooruit geworpen als Oek de Jongs als magnum opus gepositioneerde nieuwe boek Pier en oceaan. Al maanden voor de uiteindelijke publicatie domineerde de coming of age van de jonge Abel Roorda, verteld over ruim 800 pagina’s in twee delen de kolommen van de boekenbijlages. De opwinding was wel begrijpelijk: sinds De Jongs laatste roman, het beklemmende Hokwerda’s kind, waren inmiddels tien jaar verstreken, sinds zijn sterke debuut Opwaaiende zomerjurkenzelfs meer dan dertig. De verwachtingen waren dus hoog gespannen. Maakt Pier en oceaan die waar?

In Pier en oceaan –genoemd naar een serie schilderijen van Mondriaan – volgen we de jongeling Abel Roorda ongeveer vanaf zijn verwekking tot aan zijn jongvolwassenheid. We pakken en passant wat schetsen mee van zijn streng gereformeerde Friese grootvader van vaderskant en diens losse handen, alsmede van zijn in-burgerlijke Amsterdamse, eveneens gelovige grootouders van moederskant in de keurige Gabriël Metsustraat. Belangrijke tweede hoofdpersoon is zijn moeder Dina, van wie Abel haar gesloten karakter lijkt te hebben geërfd. Dina’s huwelijk met de Friese Lieuwe was een ‘moetje’ en het lijkt erop dat ze zichzelf voor deze bewust verkeerde keuze een levenslange boetedoening heeft opgelegd. Ze doet nog het meeste denken aan die negentiende-eeuwse romanvrouwen: onzeker, besluiteloos, tobberig, boordevol wrok en oeverloos en woordeloos verdriet. En bij voortduring een zenuwinzinking nabij.

Het mag het inmiddels geen geheim meer heten dat Oek de Jong in Pier en oceaan veel van zijn eigen jeugdherinneringen heeft verwerkt. De roman kan dan ook gezien worden als een prelude op een kunstenaarsleven. Maar Pier en oceaan afdoen als een Bildungsroman is wel wat kort door de bocht. De roman gaat namelijk over zoveel meer dan Abels eerste achttien levensjaren. De manier waarop Oek de Jong de andere personages rondom Abel portretteert heeft een sterke sfeerbepalende betekenis. Hoewel zij opgesloten lijken in hun eigen universum, hebben hun verhaallijnen een vormende invloed op Abels leven en denken. In de techniek die De Jong hanteert om hun karakters te beschrijven, herken je zijn liefde voor Proust; door de uitgesponnen gedachtestromen – stream of consciousness of dialogue interieure – en beeldende beschrijvingen onderga je Pier en oceaan eerder als een theaterstuk of film dan als een boek. Je weet niet precies waar je naar kijkt maar je wordt in al die levens als vanzelf meegezogen.

Ruimte

Dit effect wordt nog versterkt door het gebruik van de ruimte als wezenlijk onderdeel van de geschiedenis van de jonge Abel. Deze ruimte wordt in de beste tradities van het naturalisme en realisme wijdlopig geschetst. Het weidse Friese platteland (‘nevel boven het weiland en een stilte waarin hij een kikker door het gras kon horen springen’) en de Zeeuwse wateren (‘Het geluid van de golven was hier nog sterker. Onder hun voeten woelde en klotste het water.’) spelen in de wordingsgeschiedenis van Abel welhaast een nog prominentere rol dan hijzelf. Want laten we wel wezen: Pier en oceaan beschrijft een min of meer gewone jeugd zoals er zo vele moeten zijn geweest binnen het tijdsgewricht van de drukkende naoorlogse jaren met schaarste en een knellend godsbesef. Het is een Nederland dat niet meer bestaat.

Foodlog

Irritatie

In een rechtgeaard familie-epos dat zich over drie generaties uitstrekt kunnen grote historische gebeurtenissen als ‘Vietnam’, de moord op Kennedy, de watersnoodramp uiteraard niet onbesproken blijven. In Pier en oceaan heeft De Jong ze echter nadrukkelijk op de achtergrond geplaatst ten faveure van de functionaliteit ‘ruimte’ in al zijn gradaties, dus zowel de zichtbare als de niet zichtbare. Je hoort het water klotsen maar je ondervindt ook de beklemming van de benauwende naoorlogse bekrompenheid en hypocrisie. Toch begon ik dat na zo’n vijfhonderd pagina’s wel een beetje te veel van het goede te vinden en bespeurde ik bij mezelf een lichte irritatie. Alweer die weidsheid van het land (‘boven hun hoofd ruisten bomen, van de akkers steeg een vochtige aardgeur op’), nogmaals die schittering van het water (‘Dina keek naar de fel schitterende golven die door de palen stoven en zich op de stenen te pletter wierpen.’). Je krijgt dan toch de neiging om te denken: nu weten we het wel.

En dat is jammer, want De Jongs breedsprakerigheid leidt zodoende de lezer af van waar het in het boek werkelijk om lijkt te gaan, de universele mensvraag: waartoe zijn wij hier op aarde? Het is duidelijk dat Abel het antwoord niet in de Kerk vindt – pardon: wil vinden. Want naar zijn ouders kijkend kan hij niet anders dan vaststellen dat Gods Woord eerder een gesel is dan een zegen en dat hun zoektocht naar spiritualiteit in plaats van tot liefde tot verwijdering leidt.

‘Laat jezelf los. Het was Dina’s nieuwste mantra, haar aangereikt door haar leidsman Krishnamurti, de opvolger van een lange reeks dominees die haar geen van allen “naar God” hadden kunnen voeren.’

En zo zijn er – naast De Jongs neiging tot uitweiden – wel meer dingen die in het boek irriteren, zoals het herhalen van hetzelfde, soms in een en dezelfde zin, de wat al te voor de hand liggende metaforen en clichés (‘dichte sneeuwjacht’) en het feit dat hij oude thema’s uit zijn succesdebuut Opwaaiende zomerjurken oppoetst. Maar dat staat een goede beoordeling allerminst in de weg. Want Pier en oceaan is gewoon een mooi boek. Gewoon, omdat De Jong het klassieke literaire model van een familiegeschiedenis op virtuoze wijze heeft gebruikt om te laten zien hoe erfelijkheid en omgeving – Blut und Boden – in een onlosmakelijk verbond de mens vormgeven. En gewoon, omdat Pier en oceaan ons leert dat met het afwijzen van het geloof het stellen van spirituele vragen niet automatisch hoeft op te houden.