Vrijdag, 18 december, 2020

Geschreven door: Clarke, Susanna
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Piranesi

Verdwaald in het leven

[Recensie] Giovanni Battista Piranesi (1720 – 1778) was een Italiaanse architect, tekenaar en graficus. Hij werd beroemd om zijn etsen in groot formaat van uitgestrekte steden en labyrinten getekend in neoclassicistische stijl. Meestal koos hij het oude Rome als onderwerp.

Piranesi is ook de hoofdpersoon in de nieuwe roman met de gelijknamige titel van de Engelse schrijver Suzanna Clarke, die eerder doorbrak met Jonathan Strange & Mr. Norrell. Deze Piranesi leeft in een uitgestrekt labyrint met honderden eindeloze zalen met honderden trappen, zuilen en standbeelden. In het labyrint herkennen we de hand van Giovanni Battista, google maar naar zijn werk om een indruk te krijgen. In het labyrint hebben de elementen vrij spel. De wind beukt tegen de zuilen en de standbeelden, de regent valt binnen. Het labyrint ligt aan zee, eb en vloed komen op en af. Piranesi leeft van wat de zee hem brengt. Hij verwarmt zich door gedroogd zeewier te branden, zijn kleren maakt hij ook van zeewier. Vogels houden hem gezelschap, een paartje albatrossen brengt in de buurt van zijn leef vertrek een jong groot.

Toch is er een groot verschil met het labyrint waarin de held van Clarke zich bevindt en de labyrinten van Giovanni Battista. Op de meeste etsen en gravures van de 18de eeuwse Piranesi zie je mensen, niet talrijk, maar ze zijn er, ze lopen rond, kijken naar de gebouwen. Het is er niet uitgestorven. In het eindeloze labyrint van Clarke is Piranesi nagenoeg alleen. Piranesi vertelt ons dat er vijftien mensen zijn in het enorme gebouw. Dertien zijn gestorven, hij brengt hen offers en verzorgt hun botten. Begraven kan hij ze niet, hun botten zijn schoon gepikt door vissen en vogels. Als het springvloed wordt brengt Piranesi de botten naar hoger gelegen zalen, zodat ze niet wegspoelen. Naast Piranesi is er slechts één ander levend mens, die Piranesi de Ander noemt of de Tweede Persoon:

“Ik schat de leeftijd van de Ander tussen de vijftig en zestig jaar. Hij is ongeveer een meter achtentachtig lang en heeft, net als ik, een slank postuur. Hij is sterk en fit voor zijn leeftijd. Zijn huid heeft een bleke olijfkleurige tint. […] De algemene indruk die hij wekt, is van een vriendelijke maar ietwat terughoudend persoon die toegewijd is aan het intellectuele leven.
Hij is wetenschapper zoals ik en de enige andere levende mens, dus waardeer ik zijn vriendschap ten zeerste.
De Ander gelooft dat ergens in de Wereld een Grote en Geheime Kennis verborgen is, die ons enorme krachten zal geven als we hem eenmaal hebben ontdekt.”

Kookboeken Nieuws

De Ander noemt Piranesi ‘Piranesi’, maar ergens weet Piranesi dat het niet zijn echte naam is. Bij herhaling waarschuwt de Ander hem voor de zestiende mens. Deze mens heeft kwaad in de zin en moet gemeden worden.

En zo verstrijken de jaren, Piranesi trekt rond, zorgt voor zijn eten, verwondert zich over de wereld die hij niet snapt. Zijn dagen zijn eindeloos, zijn leven doelloos, een enkele keer komt hij de Ander tegen. De ontmoetingen duren kort, ieder gaat weer zijnsweegs, maar waarheen ze gaan blijft onduidelijk.  Piranesi houdt een dagboek bij. Hij heeft zelf een tijdkalender gemaakt en heeft alle zalen een naam gegeven. Zijn dagboekaantekeningen, heel sec en droog opgeschreven, begint hij met een aanduiding voor het tijdstip van schrijven en waar hij is. Bijvoorbeeld:

“Toen de Maan opkwam in de Derde Noordelijke Zaal liep ik naar de Negende Vestibule.
Aantekening op de Eerste Dag van de Vijfde Maand in het Jaar dat de Albatros naar de Zuidwestelijke Zalen kwam.”

Piranesi is een wonderlijk boek. Je zit meteen in het verhaal. Wat is er aan de hand? Wie zijn Piranesi en de Ander? Waar zijn ze, waar zijn ze mee bezig en waar zijn ze op weg naar toe? Maar het boek doet meer met je. Het heeft een bevreemdend effect op de lezer. Je wordt meegezogen in deze stille oneindige wereld, het labyrint in, het boek hypnotiseert.

Ik voelde hetzelfde effect bij Piranesi als bij een van de oudere boeken van Michel Houellebecq, Mogelijkheid van een eiland, waarin klonen van ene Daniel ronddolen in een vreemde wereld en zich afvragen wat voor zin het leven heeft. Deze scène uit Mogelijkheid van een eiland had wat sfeer betreft zo in Piranesi gekund:

“Vrij snel verloor ik de gewoonte om vaste slaaptijden aan te houden; ik sliep steeds in periodes van een à twee uur, zowel overdag als ’s nachts, maar zonder te weten waarom ik telkens de behoefte voelde om me in een van de uithollingen te nestelen. Er was geen spoor van plantaardig of dierlijk leven. Meer in het algemeen waren de richtpunten in het landschap schaars: zandbanken, poelen en meren van wisselende grootte strekten zich uit zover het oog reikte.”

Toch gaat het in de roman van Suzanna Clarke een geheel andere kant op. Kun je Mogelijkheid van een eiland lezen als een dystopie, het verhaal van Clarke is dat zeker niet. Pas na een kleine honderd bladzijden begin je langzaamaan iets van het mysterie te snappen. Om niets van het effect dat de roman op de lezer heeft, af te doen, moet de recensie hier stoppen. Abrupt, zeker. Maar ik ben van mening dat iedereen met zo min mogelijk voorkennis aan deze roman moet beginnen. Onderga het! 
Rest mij te melden dat Clarke een net zo betoverende als onheilspellende roman schreef, over een wereld die er nog niet was, die niemand kende, waar je niet wilt zijn, maar die je wel wilt snappen. Een roman die verwondert en bevreemdt, een roman die verontrust en intrigeert. Grote literatuur.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles