Zaterdag, 22 mei, 2021

Geschreven door: Zwier, Gerrit Jan
Artikel door: Gaal, Monique van

Reis naar het spiegelpaleis

Een stapel reisboeken

[Recensie] Gerrit Jan Zwier, antropoloog en geograaf, heeft jarenlang reisboeken besproken voor kranten en tijdschriften. Zelf reist hij het liefst naar noordelijke gebieden. Reis naar het spiegelpaleis is een ode aan een aantal voor hem belangwekkende reisboeken. De titel verwijst naar een citaat van oorlogsjournalist Ryszard Kapuściński: “andere culturen zijn de spiegels waarin we onszelf en onze cultuur kunnen bekijken. Dankzij die spiegels kunnen we onszelf beter begrijpen.” Welke spiegels dat voor de auteur zelf waren komt verder niet aan de orde.

Eerder las ik Zwiers boek De omweg naar Paaseiland, waaruit ik begreep dat het hem nogal eens aan moed ontbrak. In Reis naar het spiegelpaleis herken ik hem direct terug in de eerste zinnen van het eerste hoofdstuk Noord-zuid:

“Na afweging van de voors en tegens waag ik mij nu af en toe voorzichtig in wat zuidelijker, vriendelijker gebieden.”

Zwier is behoorlijk stellig over de door hem gelezen boeken. Gretig trekt hij zijn, veelal negatieve, conclusies over een reis. Bij de bespreking van een boek van de Vlaming Rudi Rotthier bijvoorbeeld, merkt hij op: “Hij wil terug naar de leegte, de eenzaamheid, de kou en de sociale chaos. Allemaal negatieve dingen, dus.” Negatieve dingen? denk ik dan. Ja, voor Zwier, maar vast niet voor Rotthier.

Heaven

 Zwier trekt conclusies die ik als lezer misschien niet had getrokken:

– Schrijver Paul Julien “verzinkt in een doffe neerslachtigheid” en “voelt hoe de moedeloosheid zijn hart binnendringt”.
– “[Karin] Anema steekt niet onder stoelen of banken dat deze winterse belevenis [in Lapland] haar slecht bevallen is.”
– Aan het Tobameer “neemt zijn [Wiecher Hulst] ergernis alleen maar toe.”
– “Menige schrijvende reiziger of reizende schrijver beklaagt zich over…”

Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan met citeren. Waarom legt Zwier zo dikwijls de nadruk op de negatieve emoties – die er vast ook zijn – in een reisverhaal? In alle ongemak leest hij pure ellende. Maar is ongemak niet juist zo’n essentieel, en daarmee toch vaak ook best mooi, onderdeel van het échte reizen? Is hij zo bang om te reizen dat hij zelfs gruwt van de avonturen die anderen meemaken?

“Wie al te lang onbeschrijflijk vies eten op zijn bord heeft gekregen en al te vaak op de vloer van een hotsende bus heeft gezeten, die door braaksel, fluimen en babypis in een glijbaan is veranderd, verliest vanzelf zijn belangstelling voor de Chinese cultuur en geschiedenis.”

Dan bespreekt Zwier een boek dat in mijn top tien van de mooiste reisboeken aller tijden staat, Arabian Sands van Wilfred Thesiger. Aan de hand van zijn oordeel kan ik dan toch echt opmaken dat ik een heel andere lezer ben dan hij. “Ze [de Bedu] zijn bereid hem als werkgever te accepteren, maar hebben geen enkel respect voor hem,” schrijft hij. Ik las dit boek over een geweldig avontuur in de woestijn blijkbaar met een heel andere blik. Een avontuur dat maar liefst vijf jaar lang duurde, en dus vast niet zo zeer aan elkaar hing van ellende als Zwier ons wil doen geloven.

Zoekt Zwier in zijn reisboeken een bevestiging van zijn vermoeden dat de wereld een enge plek is?

Veel van Zwiers oordelen komen wellicht voort uit het feit dat hij antropoloog is en zich graag laat informeren over het een of ander. Adriaan van Dis kan dan ook op zijn afkeuring rekenen, hij “beroemt zich er immers op dat hij geen uur studie in zijn project heeft gestoken”. Neem een voorbeeld aan die geweldige schrijver Colin Thubron, die zich tot in de puntjes had voorbereid op zijn tocht door China, zo oordeelt Zwier. Maar is het niet juist mooi dat iedere schrijver op zijn eigen manier reist? En kom je niet juist op verrassender plekken als je je niet goed voorbereidt? Toch zou ook Thubron vervuld zijn van angst: “Wat tijdens Thubrons reis voortdurend roet in het eten dreigt te gooien, is de angst voor een SARS-epidemie.” Wel, ik heb dit prachtige boek ook gelezen, maar kreeg niet het idee dat de schrijver onder angsten gebukt ging.

Ook de schrijfster Christina Dodwell krijgt ervanlangs. Zwier neemt het haar kwalijk dat zij zich niet eerst heeft verdiept in het werk van de antropologen die het gebied waar zij zich bevindt reeds uitvoerig hebben beschreven. “Zij wil een reisboek schrijven, geen dissertatie,” klinkt het afkeurende oordeel van Zwier, en dat is toch “te gek voor woorden”.

Sommige boeken die Zwier heeft uitgekozen gaan bovendien niet echt over reizen, maar eerder over het elders verblijven. Neem bijvoorbeeld het boek van Dian Fossey. Dertien jaar lang verbleef zij in een uithoek van Rwanda om de berggorilla’s te bestuderen. Zij kwam niet meer van die plek af. Andere boeken vallen wat mij betreft meer onder de geschiedenisboeken, of boeken over antropologie of primitieve geneeswijzen. Echt gereisd wordt er niet noodzakelijk.

Ik veer dan ook op wanneer Zwier Graham Greene en W. Somerset Maugham aanhaalt. Maar helaas gaat hij niet verder in op deze door mij zo bewonderde reisschrijvers. Neem Lawless Roads of Journey without maps van Greene. Of South Sea Tales en The Gentleman in the Parlour van Somerset Maugham. Zomaar een paar van die geweldige reisboeken die geen plek hebben gekregen in Zwiers lijstje.

En als de meeste boeken die Zwier bespreekt dan toch zijn goedkeuring niet krijgen, en deze bovendien veelal alleen nog tweedehands te krijgen zijn, waarom wilde hij die hier dan zo graag nog eens bespreken? Nieuwe ideeën voor de aanschaf van een mooi reisboek heb ik in ieder geval niet opgedaan met Reis naar het spiegelpaleis.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles