Woensdag, 23 december, 2020

Geschreven door: Reybrouck, David van
Artikel door: Kempen, Michiel van

Revolusi

Van vernedering en bloeddorst: de dekolonisatie van Indonesië

[Recensie] Het was vroeg in 1990, de kraton van de vorstenstad Solo op Midden-Java ging schuil onder een loden wolkendek, busjes en brommertjes knetterden voorbij en wij maakten een praatje met een in donkerblauw gestoken en goudgesjerpte wachter van het vorstenpaleis. Hij keek peinzend voor zich uit en zei in mooi, helder en enigszins plechtstatig Nederlands: “Ik spreek wel Nederlands, maar ik houd niet van de Nederlanders.”

Een Javaan die dit zei, recht voor zijn raap! Wie wil weten hoe diep die woorden peilen en wie weinig weet van de geschiedenis van Indonesië, leze het onlangs verschenen Revolusi van David Van Reybrouck. Je hoeft niet op te zien tegen de ruim 600 pagina’s, want Van Reybrouck is een meeslepend verteller, die virtuoos geschiedschrijving, essay en journalistiek ineenvlecht. Negentig procent van zijn boek gaat over de twintigste eeuw en het draagt dan ook de ondertitel Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld.

Grootste obstakel voor die moderniteit was de koloniale macht: Nederland, al speelden de traditionele vorsten er natuurlijk ook bepaald geen stimulerende rol in. Hoe Nederland in Zuidoost-Azië heeft huisgehouden weten we natuurlijk wel sinds de verschijning van De brandende kampongs van generaal Spoor (2016) van Remy Limpach. Het grote onderzoeksproject dat in Amsterdam (NIOD), Leiden (KITLV) en Den Haag (NIMH) werd opgestart zal ongetwijfeld over enige tijd nog een schril licht gaan werpen op het ‘systemische geweld’.  Maar met zijn grootse verhaal weet David Van Reybrouck het decennialang gekoesterde, verbluffend verhullende taalgebruik als het om de rol van Nederland in Indonesië ging (‘politionele acties’…) overtuigend te deconstrueren.

Beschamend

Bazarow

Een centrale rol in de gruwelijkheden die Nederland in Indonesië beging is natuurlijk weggelegd voor militairen als generaal Spoor en de beruchte kapitein Westerling die nog ver in de twintigste eeuw op Sulawesi tekeerging als een achtiende-eeuwse houwdegen. Natuurlijk komen de politici die daarvoor de beschamende politieke verantwoordelijkheid droegen –  Fock, De Jonge, Beel, Sassen, Romme, Drees, Lieftinck, in mindere mate Mook en Schermerhorn – in beeld, maar de Indonesische kopstukken als Soekarno, Hatta en Sjahrir krijgen toch heel wat meer gewicht. Uiteindelijk kon Nederland er na een strijd met tienduizenden doden niet langer onderuit Indonesië zijn onafhankelijkheid te verlenen: ‘knarsetandend’ is eigenlijk nog altijd een woord dat evenzeer in de categorie van eufemismen thuis hoort als ‘politionele acties’. Maar de Nederlandse kiezen zouden nog lang over elkaar heen blijven schuren.

De man die er uiteindelijk verantwoordelijk voor was dat Nederland zich internationaal nog decennialang een modderfiguur zou blijven slaan – eerst in de kwestie-Nieuw-Guinea, daarna met het verzet tegen de economische boycot van apartheid-Zuid-Afrika –  was de langst zittende Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Joseph Luns (die met zijn flux de bouche in die jaren ook een buitengewoon gezapig journaille tegenover zich vond: “Excellentie, hebt u een prettige vlucht gehad?”). Voor straf heeft David Van Reybrouck Luns een rol in de coulissen gegeven: hij komt welgeteld éénmaal in het boek voor. Dat is wel vermakelijk, maar voor enig inzicht in de politieke internationale machinerie is dat eigenlijk ook wel té mager; blijkbaar zijn Van Reybrouck bij heel zijn brede belezenheid toch de studies van Albert Kersten en Martin Bossenbroek over Luns ontgaan.

Vrijheidstrijders

Daarmee komen we op de belangrijkste tournure die Van Reybrouck met Revolusi teweegbrengt in de geschiedschrijving van het moderne Indonesië: hij heeft er veel werk van gemaakt om  juist ook de stem te laten horen van de gewone mensen die zo vaak in geschiedenissen niet gehoord worden (‘silencing the past’, om met Michel-Rolph Trouillot te spreken). Hij toog naar alle uithoeken van de Indonesische archipel om te spreken met slachtoffers en nabestaanden, een boer, een handwerksman, een winkelier. Het is hallucinant wat zij te vertellen hebben: “Mijn vader zei: ‘Ga naar huis. Ik moet graven.’ De lichamen werden in een drinkpoel voor waterbuffels gegooid.” (p. 380). Of: “Abukar Lambogo, een rebellenleider die terugkwam van een militaire vergadering, werd niet alleen gedood maar ook onthoofd, waarna zijn hoofd publiekelijk werd tentoongesteld.” (p. 375)

Wie komen hierbij niet de gravures van William Blake bij de 18de-eeuwse Narrative van John Gabriël Stedman over de weerzinwekkende slavernij voor ogen? Van Reybrouck sprak met ‘pemoeda’s’, jonge vrijheidsstrijders die vaak in bloeddorstigheid niet onderdeden voor hun Hollandse tegenstrevers. Hij toog naar Japan om de soldaten te spreken die al dan niet als kamikazepiloot de Japanse imperialistische oorlog mee vorm gaven. Hij trok naar Nepal om te spreken met de laatsten der Gurkha’s, strijders in het Britse leger die verschillende interneringskampen bevrijdden – ik beken dat ik niet eens wist dat die in Indonsië gevochten hadden. Hij spoort een Nederlandse overlevende van de atoomaanval op Nagasaki op, die dan weer later in Indonesië opduikt, en ook klokkenluiders als Joop Hueting en Poncke Princen komen voorbij. Al die getuigenissen, niet van bovenaf, maar juist van onderaf, brengen je als lezer de geschiedenis heel nabij.

Metafoor

David Van Reybrouck opent zijn boek met een van de grootste scheepsrampen die in Zuidoost-Azië ooit plaatsvonden: de ondergang van de pakketboot Van der Wijck in 1936. Aan die ondergegane boot ontleent hij de belangrijkste metafoor om de vroegere Indonesische samenleving te schetsen: de verschillende rangen en natuurlijk hun onderlinge dynamiek: de pogingen van eenvoudige lieden in de onderste regionen om op te klimmen tot de bovenste laag van de koloniale elite en rijkste handelaren. (Wie fraaie staaltjes zoekt van zo’n minisamenleving op een boot, vindt veel in de eerder dit jaar gepubliceerde studie De kolonie op drift van Coen van ’t Veer die zich concentreerde op de zeereizen tussen Nederland en Nederlands-Indië, een boek dat jammer genoeg nogal te lijden heeft gehad van de dwangneurosen van roestvrijstalen literatuurwetenschappers – maar dit terzijde.)

Toch wringt die metafoor van Van Reybrouck hier en daar ook, je merkt dat de bootmetafoor de complexiteit van de Indonesische samenleving niet altijd adequaat dekt. Zo kun je de adellijke leiders van de vorstenlanden in wezen niet een goede plaats geven in zo’n driedeling. Hun complexe rol in de geschiedenis – dat weten we toch ook al van Multatuli –  komt naar mijn idee niet helemaal goed uit de verf in Revolusi.

De ondertitel van het boek – Indonesië op het wereldtoneel – wordt door Van Reybrouck wel helemaal waargemaakt. Met name het belang van de conferentie van Bandung in 1955, waar de leiders van de opkomende machten in ‘Zuid’ en ‘Oost’ een lange neus trokken naar de Westerse grootmachten, zet hij helder uiteen. De groten uit Afrika en Azië kwamen tezamen om het kolonialisme onder zijn kont te schoppen: Zhou Enlai en Nasser, Nehru met Indira Gandhi, Mandela en Richard Wright, en natuurlijk Soekarno en Hatta.

Focus met een stijve nek

Soms vind ik het jammer dat Van Reybrouck  in zijn duidelijk internationaal georiënteerde geschiedschrijving, lijdt aan het syndroom waaraan zovelen lijden die zich bezighouden met Nederlands-Indië en Indonesië: de stijve nek. Ze zijn zó gefocust op ‘de Oost’ dat de meest voor de hand liggende parallellen met wat er in ‘de West’ gebeurde niet getrokken worden. Zo vermeldt Van Reybrouck wel de rol van Indische mensen in het verzet tegen de Duitsers en bij het tijdschrift De Vrije Katheder, maar vergeet hij dat daarin ook een belangrijke rol werd gespeeld door mensen uit de Caraïbische koloniën (George Maduro, Anton de Kom, Albert Helman en anderen). Djajeng Pratomo belandde net als De Kom in een concentratiekamp (De Kom overleed in 1945, Pratomo in 2018!). En Helman was ook aanwezig bij de grote, naoorlogse Indonesisch-nationalistische manifestatie in het Concertgebouw, waarover op pagina 297 wordt verteld.

Daarenboven is er ook heel veel te zeggen over de laat-koloniale Nederlandse politiek in beide delen van de wereld, bijvoorbeeld het grof geschut rond De Kom in 1933, bij de internering van Bos Verschuur en Eddy Bruma in de oorlog en de vernedering van Curaçaose arbeiders die leidde tot de mei-revolte van ’69. De dekolonisatiebeweging in Indonesië was natuurlijk krachtiger, breder en beter georganiseerd en zou ook leiden tot de eerste losmaking van een voormalige kolonie. Maar ook in de West broeide het: Soekarno had meer gemeen met pragmatische nationalisten als Eddy Bruma en Doktoor da Costa Gomez dan je zou denken.

Maar misschien houdt David Van Reybrouck zijn kruit droog en zet hij zich nu na zijn boek De plaag over Zuid-Afrika, zijn imposante boek over de Belgische kolonie Congo en dit al even indrukwekkende boek over Indonesië, aan een geschiedenis van de Nederlandse koloniën in de West. Hij schrijft flonkerend en is niet bang om een zin van een halve pagina lengte neer te zetten, maar komt soms ook met messchepre korte formuleringen: “Indonesië had Nederland niet nodig om ontsloten te worden.” Het is dapper dat hij zich als Belg op een belangrijk stuk Nederlandse postkoloniale historie heeft geworpen, empathisch en genuanceerd. Het overtuigende resultaat geeft hem een ereplaats in de rij van andere buitenlanders die over de Nederlandse geschiedenis schreven, als Allison Blakeley, Simon Schama en James Kennedy. Welnu: David, de deur staat open: Welcome to the Caribbean, darling!

Eerder verschenen op de website Caraïbisch Uitzicht, 15 december 2020