Zondag, 23 mei, 2021

Geschreven door: Rovere, Maxime
Artikel door: Heumakers, Arnold

Spinoza, vrijdenker of fascist?

Over de reputatie van een verlicht denker

Dat Spinoza geen moderne liberaal was, staat buiten kijf. Maar hem verbinden met het fascisme, is wel heel bizar.

[Recensie] Tijdens zijn leven en nog lang daarna werd Nederlands grootste filosoof Benedictus of Bento de Spinoza (1632-1677) alom verketterd als godloochenaar en atheĂŻst. Zijn geschriften werden verboden, zijn aanhangers vervolgd. Wat een verschil met zijn huidige reputatie. Tegenwoordig geldt Spinoza als een van de belangrijkste voorvechters van vrijheid en tolerantie. Een kampioen van de (radicale) Verlichting en de Vooruitgang, een held van het vrije denken.

Als zodanig wordt hij ook gepresenteerd in Spinozaland. De ontdekking van de vrijheid – Amsterdam, 1677 van de Franse schrijver en filosoof Maxime Rovere uit 2017, nu in soepel Nederlands vertaald door Frank Mertens en Hendrickje Spoor. Rovere’s boek heet in het Frans Le clan Spinoza, en dat geeft de strekking beter weer dan het Nederlandse Spinozaland. Rovere wil namelijk niet suggereren dat de Republiek destijds al dol was op Spinoza, maar wel dat hij niet zo geïsoleerd stond als men het soms heeft voorgesteld. Zijn verbanning op 23-jarige leeftijd uit de Joodse gemeenschap kon daarom ook een bevrijding zijn, omdat de jonge Spinoza al een nieuw geestelijk en sociaal thuis had gevonden bij een belangrijke groep Amsterdamse vrijgeesten.

Aan de leden van Spinoza’s ‘clan’ besteedt Rovere relatief veel aandacht. De avonturen van Franciscus van den Enden (van wie Spinoza Latijn leerde) mogen we volgen tot op het Parijse schavot, waar hij in 1674 stierf na het mislukken van een complot tegen Louis XIV. Een andere geestverwant, Adriaan Koerbagh, was toen al bezweken in het Amsterdamse rasphuis. Ook de omzwervingen van de Deense anatoom Niels Stensen (Steno) worden uitgebreid beschreven. Via deze tot het katholicisme bekeerde ex-vriend belandde een manuscript van de Ethica in de bibliotheek van het Vaticaan, waar het pas een paar jaar geleden werd ontdekt.

TijdvoorTijdschriften

‘Eerste liberale Jood’

Rovere heeft niet zozeer een geleerde studie geschreven als wel iets dat het midden houdt tussen een documentaire en een vie romancĂ©e. Een hybridisch genre dat je ook op de televisie soms tegenkomt, denk aan de recente serie De strijd om het Binnenhof. Het is een beetje vlees noch vis. Zit je net in een leuke nagespeelde scĂšne, komt er opeens een historicus door het beeld lopen. Als romancier maakte Rovere het gelukkig niet al te bont. Hij veroorlooft zich wel een paar grapjes, vandaar dat we een van de vertalers kunnen tegenkomen als klusjesman. Maar hoewel hij zich verzet tegen Spinoza als de “stralende, glimlachende [
] apostel van de vreugde en het verlangen”, heeft Rovere het toch niet aangedurfd om dit ietwat brave standaardbeeld met behulp van fictie drastisch te corrigeren. Hij volgt de bestaande literatuur, getuige de vele noten die te vinden zijn op een speciale website van zijn Franse uitgeverij. Veel nieuws komen we daardoor niet tegen in Spinozaland, maar het caleidoscopische boek, bestaande uit losse taferelen doorregen met commentaar, biedt wel een beeldende, vlot geschreven introductie tot Spinoza’s wereld. De filosofie komt wat minder uit de verf, laat staan dat er sprake zou zijn van een originele visie op Spinoza’s denken.

Wie daaraan niettemin behoefte heeft, kan terecht bij De list van Spinoza. De grote gelijkschakeling van de Amsterdamse filosoof Victor Kal. De combinatie van titel en ondertitel klinkt omineus, en dat blijkt te kloppen, want Spinoza’s filosofie wordt door Kal met ‘het fascisme’ in verband gebracht. Niks Verlichting en Vooruitgang, maar Spinoza als fascist – is dat niet wat al te bizar? Gek genoeg zijn er enkele precedenten. Zo typeerde de Spinoza-kenner Wim Klever diens politieke filosofie in het Theologisch-politiek traktaat (1670) ooit als een vorm van ‘nationaal socialisme’. De echte nazi’s hadden doorgaans weinig op met Spinoza, vanwege diens Joodse herkomst. Zelfs een intelligente nazi als Carl Schmitt noemt hem in zijn Hobbes-studie (Der Leviathan) uit 1938 de ‘eerste liberale Jood’. Maar dat is buiten de NSB-ideoloog dr. J.H. Carp gerekend, die in Spinoza zelfs een voorloper van het twintigste-eeuwse fascisme meende te zien.

Weimar

Zo ver gaat Kal niet. Zijn – ondanks enige redundantie – zeer leesbare en bepaald uitdagende studie bevat een bijsluiter. In historische zin was Spinoza natuurlijk gĂ©Ă©n fascist, schrijft Kal. Het gaat hem enkel om een formele analogie. Intussen is het verband toch maar gelegd en de toon gezet. Hetzelfde doet Kal met de Conservatieve Revolutie, een intellectuele, antiliberale stroming uit de Weimartijd, waartoe onder anderen de bovengenoemde Schmitt wordt gerekend voordat hij zich in 1933 tot Hitler bekende. Ook Spinoza was in Kals interpretatie een revolutionaire conservatief, iemand die het predicaat ‘modern’ niet verdient, omdat in zijn filosofie geen plaats was voor een vrij en open op de toekomst gericht individualisme – volgens Kal hĂ©t kenmerk van de moderniteit.

Daar valt wel wat op af te dingen. Kal hanteert een eenzijdige, normatieve, definitie van moderniteit, terwijl de moderne wereld eerder een fundamentele verdeeldheid laat zien: ook het fascisme en de Conservatieve Revolutie horen erbij. Moderniteit houdt veel meer in dan enkel liberaal individualisme. Alleen wanneer je dat negeert, kun je Spinoza ‘voormodern’ noemen, want het is waar, een liberale individualist was hij niet.

En dan wordt Kals op het eerste gezicht idiote interpretatie alsnog de moeite waard, ook al maakt hij zich schuldig aan flink wat anachronistische vertekening. Daarin verschilt hij overigens niet van beroemde hedendaagse Spinoza-kenners als Jonathan Israel en Steven Nadler, die de neiging hebben om hem iets te veel te presenteren als een moderne liberale democraat. Op hun Spinoza-beeld vormt dat van Kal een nuttige correctie. Wat niet wil zeggen dat Spinoza’s denken als kapitale bron van de radicale Verlichting niet het nodige heeft bijgedragen aan het ontstaan van de liberale democratie.

Het domme volk

Waar zit nu de analogie met het fascisme? Die ontwaart Kal in Spinoza’s analyse (in het Theologisch-politiek traktaat) van de vorming van de Joodse samenleving onder leiding van God en Mozes, zoals verhaald in het Oude Testament. Om Kals gedachte simpel samen te vatten: Mozes gebruikte zijn lijntje naar Jahweh om de door de woestijn trekkende IsraĂ«lieten, vrij en gelijk na hun bevrijding uit de Egyptische slavernij, van hun vrijheid te beroven met behulp van de religie en zijn eigen ‘goddelijke’ imago. Gaat een fascistische Leider, die zichzelf bovenmenselijke kwaliteiten toedicht en zijn volk via de ideologie tot blinde gehoorzaamheid aan de staat verleidt, niet net zo te werk, vraagt Kal zich af. Een vergelijkbare analogie bespeurt hij in de algemene politieke theorie die Spinoza ontwerpt in het Theologisch-politiek traktaat.

Ogenschijnlijk was zijn doel, getuige de ondertitel van dit geschrift, om te bewijzen dat de “vrijheid van filosoferen” geen kwaad kon voor “de vroomheid en de vrede in de staat”, en dat vroomheid en vrede zonder die vrijheid zelfs zouden verdwijnen. In werkelijkheid, betoogt Kal op eigen gezag, vormden de eenheid van het volk en de veiligheid van de staat Spinoza’s hoofdthema. Om beide te bereiken destilleerde hij uit de Bijbel een eeuwige ‘ware religie’, los van alle tijdgebonden ‘bijgeloof’, die neerkomt op: gehoorzaamheid aan God ofwel gerechtigheid en liefde voor de naaste. Via deze ware religie zou de staat het volk tot in het ‘hart’ kunnen raken, met als gevolg eenheid en vrede.

Maar waar was de vrijheid gebleven, toch zo dierbaar aan de filosoof? Volgens Kal behield de filosoof die vrijheid alleen voor zichzelf, terwijl het domme volk via een ‘list’ (de ‘ware religie’, die de filosoof met zijn superieure redelijkheid niet nodig had) tot de gewenste gehoorzaamheid aan de staat werd gebracht. Ziedaar de ‘grote gelijkschakeling’, want dankzij die ‘ware religie’ kwamen de neuzen allemaal dezelfde kant op te staan.

Zeer gewelddadig

Gezien de inhoud van die ware religie (gerechtigheid en naastenliefde) zijn we volgens mij nog altijd mijlenver verwijderd van elk reĂ«el fascisme. Maar Kal wijst op het verdwijnen van een religieuze ‘pluraliteit’ die hij beschouwt als de bron van het latere individualisme. En inderdaad, daar zijn fascisten doorgaans geen liefhebbers van. Wederom redeneert Kal anachronistisch – mede doordat hij geen enkele poging doet zich te verplaatsen in Spinoza en diens vrijdenkende ‘clan’. Voor hen betekende die religieuze ‘pluraliteit’ immers niet zozeer individualisme, als wel fanatisme, intolerantie en reĂ«el levensgevaar, om over de recente godsdienstoorlogen nu maar te zwijgen. Zo gek was het dus niet dat Spinoza verlangde naar een sterke, in zijn geval liefst democratische staat, die het gevaar zou elimineren door de religieuze onenigheid op te heffen.

Deze urgentie, naast de natuurrechtelijke logica die Spinoza rĂŒcksichtslos hanteert, verklaart ongetwijfeld veel van de radicaliteit waarmee hij het recht van de ‘hoogste overheden’ (summa potestas – Kal vertaalt suggestief: ‘machtsregime’) over hun onderdanen omschrijft. Dat is soms even schrikken, bijvoorbeeld als we lezen dat de staat “het recht heeft zeer gewelddadig te regeren en de burgers om de geringste reden ter dood te brengen”. Wel voegt Spinoza er meteen aan toe dat het uiterst onverstandig zou zijn als de staat daadwerkelijk zo handelde, aangezien recht bij hem gelijk was aan macht en de burger zijn natuurlijke recht nooit helemaal kon kwijtraken. Een staat die zijn burgers stelselmatig maltraiteerde, zou daarom geen lang leven beschoren zijn. Maar Kal vindt dat verachtelijk ‘pragmatisme’. Een ‘constitutie’ met individuele rechten die niet enkel van macht afhankelijk zijn, was volgens hem veel beter geweest. Op dat idee kwam Spinoza alleen niet. Nee, nogal wiedes, hij was nu eenmaal geen liberale democraat.

Verdraaide boodschap

De gelijkstelling van macht en recht past in zijn algehele filosofie, waarin ook God en de Natuur samenvallen. In het universum van Spinoza (vooral uiteengezet in zijn Ethica, postuum gepubliceerd in 1677) regeert een totale logische ‘noodzakelijkheid’, die zowel toeval als wilsvrijheid uitsluit. Voor Kal komt dat neer op een ‘amputatie’ van alle transcendentie. Dat klopt, een wereld die werkelijk alomvattend is kent geen buiten meer. Zelfs God, die in de Joodse en christelijke theologie als schepper buiten de wereld staat, is voor Spinoza alleen denkbaar als immanente kracht, terwijl de enig mogelijke vrijheid neerkomt op rationele instemming met de onontkoombare noodzakelijkheid der dingen.

Voor Kal daarentegen schept een oriĂ«ntatie op het transcendente (minimaal: de erkenning dat de gedetermineerde ‘natuur’ niet alles is) pas de mogelijkheid van echte, open, moderne vrijheid en dus ook van ware moraliteit. Zijn diepste bezwaar tegen Spinoza lijkt dĂĄĂĄr te liggen. In feite sluit hij zich aan, met deels nieuwe argumenten, bij de theologen die Spinoza door de eeuwen hebben beschuldigd van atheĂŻsme, fatalisme en nihilisme. Had bovendien de bekende Duitse historicus Ernst Nolte het “verzet tegen de transcendentie” niet aangewezen als een filosofisch fundament van het fascisme?

Of transcendentie en liberale dan wel morele vrijheid daadwerkelijk zo nauw met elkaar verweven zijn als Kal suggereert, en of de mogelijkheid van transcendentie echt bestaat, is een andere vraag. Maar – nogmaals – dat Spinoza geen moderne liberaal was, staat buiten kijf. Spinoza-bewonderaars als Israel en Nadler, die dit onvoldoende erkennen, verdraaien zijn boodschap. Victor Kal neemt daarom naar eigen zeggen Spinoza tegen diens valse vrienden ‘in bescherming’. Een even geestige als doortrapte pretentie, want met Kal als beschermer heeft Spinoza geen vijanden meer nodig.

Eerder verschenen in NRC en op Arnold Heumakers