Vrijdag, 3 mei, 2019

Geschreven door: Muijres, Jos
Artikel door: Hasselt, Laurie

Tegen de schenen: Opstellen over recente Nederlandse en Vlaamse literatuur

Vertel me wat het echt betekent

[Recensie] Waarom moest Anna Karenina dood? Dat is voor de achttienjarige studente Selin – Elif Batumans protagoniste in The Idiot (2017) – de meest prangende vraag die je kunt stellen over Tolstojs klassieker. Het is voor haar een voorbeeld van wat in wezen de kern is van literatuur, en een handleiding voor hoe daarover te praten. Onverzadigd in dit opzicht verlaat ze haar eerste letterkundecolleges:

“Everything the professors said seemed to be somehow beside the point. You wanted to know why Anna had to die, and instead they told you that nineteenth-century Russian landowners felt conflicted about whether they were really a part of Europe.” (Batuman 2017: 16)

Een ervaring die, denk ik, door veel beginnende literatuurstudenten gedeeld wordt – het kostte mij althans zeker twee, drie jaar voor ik ook iets fatsoenlijks zeggen kon (en wilde) over spreekwoordelijke Russische landeigenaren. Selin wil niet leren over “ancient people’s money troubles”, ze wil weten “what books really meant”. (16) Zó sprak ze met haar moeder over literatuur, die haar boeken gaf met de instructie: lees dit, zodat je me kunt vertellen wat het echt betekent.

Dat zijn misschien wel de heerlijkste gesprekken die je kunt voeren over literatuur – zolang er tenminste ruimte is voor een weerwoord en er geen pasklaar antwoord is. Dit soort gesprekken wordt voornamelijk gevoerd over boeken die geen eenduidige betekenis hebben, de boeken die je niet in een keer helemaal kunt begrijpen, niet kunt plaatsen en maanden later nog steeds niet helemaal hebt verteerd (The Idiot was er zo één voor mij). Dat zijn de boeken die je voeren naar de vraag: wat is literatuur, of wat zou het moeten zijn? Tegendraads, luidt het antwoord van onder meer Marcel Möring en J.M. Coetzee, en in navolging van hen Jos Muijres en Marieke Winkler.[1] In het voorwoord van de door hen samengestelde bundel Tegen de schenen halen zij de klaagzangen aan van die twee auteurs over al te simplistische, commerciële romans – de “well-made novel with its plot and its characters and its setting”, in de woorden van Coetzee. “Zolang het genre bestaat moet de roman zich verweren tegen de verdenking dat zij zich al te zeer voegt naar de verwachtingen van het grote publiek”, concluderen Muijres en Winkler. “Tegelijkertijd bevestigen juist dit soort boutades het geloof in het tegendraadse potentieel van de roman.” (Muijres & Winkler 2018: 7)

Boekenkrant

De vraag die vervolgens centraal wordt gesteld in de bundel is dan ook niet of een roman tegendraads is, maar hoe hij dat is. In elf opstellen wordt ingegaan op die vraag aan de hand van twaalf (betrekkelijk) recente Nederlandse en Vlaamse romans. [2] Alle hoofdstukken zijn geschreven door docenten van de postacademische cursus Recente Nederlandse en Vlaamse literatuur die jaarlijks gegeven wordt aan de Radboud Universiteit. Hun opstellen over de vraag hoe een roman tegendraads is of kan zijn, leiden tot uiteenlopende antwoorden: sommige romans gaan bijvoorbeeld over omstreden thema’s als pedofilie (Mijn meneer en Schuldig kind), kindermisbruik in de kerk (Het hout) of dierproeven en de (on)ethische rafelranden van de wetenschap (Ivanov en Monkey business); andere werken zijn tegendraads door hun vorm (Wapenbroeders en Sprakeloos) en/of het spel tussen feit en fictie dat een auteur daarin speelt (Wie zoet is, wederom Wapenbroeders en Sprakeloos). Maar niet alleen de romans zijn tegendraads, ook de auteurs van de opstellen laten hier en daar wat tegendraadsheid doorschemeren – zo kant Muijres zich in zijn opstel tegen eerdere lezingen van Tom Lanoyes Sprakeloos en bepleit een andere, genuanceerdere lezing van het werk.

Op het voorwoord van twee pagina’s na kent de bundel geen verdere verantwoording of overkoepelende methodiek: waarom precies deze boeken zijn gekozen en door wie wordt niet duidelijk, en dat is misschien juist precies de charme van deze bundel. Het boek leest als een reis, meanderend door de teksten die samen een veelkleurig landschap vormen. Daarbij kun je je gerust laten meevoeren door de auteurs, allen goed geschoolde lezers die schrijven vanuit een ogenschijnlijk persoonlijke fascinatie voor de roman in kwestie. De essays zijn allemaal grondige, nauwkeurige lezingen van het boek, vrijwel altijd ingebed in een uitgebreide bespreking van het oeuvre van de auteur en de manier waarop het werk ontvangen werd door critici. Door deze opzet laat de bundel zich lezen als een tweehonderd-pagina’s tellend gesprek over boeken en wat ze ‘echt’ betekenen – precies het soort gesprek waar Selin naar verlangt, en ik met haar. Alle opstellen zijn in heldere taal geschreven, meestal gespeend van jargon, op een enkel literatuurwetenschappelijk concept hier en daar na. De bundel lijkt zich daarmee te richten op de literatuurliefhebber in brede zin, maar wel een academisch geschoolde die niet terugdeinst voor af en toe een term als ‘posture’ of  ‘echtheidssignalen’ of een naam van een grote denker (ofwel op de letterkundige op vakantie, die behoefte heeft aan wat literatuurwetenschap-light).

Sommige opstellen zijn naar mijn smaak wat stellig geformuleerd en lezen daardoor net iets te veel als een hoorcollege. Dat zit hem bijvoorbeeld in zinnen als deze in het stuk van Peter Nissen: “Ik ben van mening dat Brouwers’ boek Het hout gelezen moet worden als een werk van fictie”, en de daaropvolgende stellige conclusie dat het boek niet over X (de rooms-katholieke kerk) of Y (het misbruik daarbinnen) gaat, maar dat de roman gaat over Z (mensen die deugen en schoften). (100) Het zijn punten die misschien helemaal niet of niet helemaal onwaar zijn, maar hier zo stellig en ook nog herhaaldelijk geformuleerd worden dat ik er een beetje een “het zit zus, en zo dient u dit te lezen”-gevoel van krijg, terwijl mij als lezer tegelijkertijd te weinig voorbeelden en argumenten worden aangereikt om me er daadwerkelijk van te overtuigen dat er niet het een en ander aan te nuanceren of op af te dingen valt. Een mens zou er welhaast tegendraads van worden. Ter verdediging en nuancering van mijn eigen (vrijwel enige) kritiekpuntje: het zit hem allicht deels in de aanpak, want sommige opstellen lezen meer als een betoog, andere meer als een essay. Net als romans zie ik essays ook bij voorkeur ‘tegendraads’ en dus niet eenduidig, maar dat is natuurlijk ook een kwestie van smaak.

Een van de stukken die me in dit licht het meest bijbleef, en voor mij een van de charmantste uit de bundel, is dat van Koen Rymenants over A.L. Snijders. Zijn bijdrage kadert hij in het algemene beeld dat vaak van Snijders geschetst wordt door critici (een zonderlinge schrijver in de Achterhoek) en zoomt als tegenwicht juist in op één bundel zeer korte verhalen (zkv’s). Rymenants reconstrueert een ingenieus spel tussen feit en fictie dat Snijders daarin speelt, om te concluderen dat het titelverhaal Wapenbroeders een “pleidooi voor de verbeelding” is. (75) Tegelijkertijd is volgens Rymenants ook het wereldbeeld in het titelverhaal typerend voor de rest van de bundel: Snijders is, in zijn eigen woorden, “een liefhebber van de open maatschappij met haar altijddurende polemiek, haar aanwas en afbraak van waarheden, haar fundamentele onzekerheid” en gaat ervan uit dat “beide visies juist zijn”. (Snijders 2013: 122-123, 164; geciteerd in Muijres & Winkler 2018: 89) Op heel elegante wijze legt Rymenants dan de bal weer bij de lezer neer, door de uiteenlopende visies op Snijders en zijn werk te benadrukken: er zijn de critici die hem verwijten vlees noch vis te serveren en het midden te verkiezen (“EO zonder god”), en er is de lovende visie op Snijders’ werk die Sebastiaan Kort hem toeschreef in NRC Handelsblad: “dat de zkv’s wijsheid ademen, maar nooit doorslaan in een, wellicht ergerlijke, gelijkhebberigheid”. Zonder een eenduidig antwoord te bepleiten besluit Rymenants: “Misschien zijn beide visies wel juist, al heb ik een voorkeur voor de tweede.” (90)

Zijn stuk echoot daarmee nog een centraal punt dat de samenstellers aanstippen in hun voorwoord: de vraag hoe een literair werk tegendraads is, is evengoed een vraag naar hoe die tekst wordt gelezen.

“Wat dat betreft demonstreren de bijdragen in Tegen de schenen een belangrijke rol van de (geschoolde) literatuurlezer in dit proces, om niet te zeggen verantwoordelijkheid, die eruit bestaat om steeds weer tegen versteende interpretaties in te lezen, om verder te gaan waar andere besprekingen stoppen, om durf te tonen en zich soms niets gelegen te laten liggen (…) aan de manier waarop de auteur of de kritiek het werk inkadert.” (8-9)

De bundel had dan ook haast niet passender kunnen eindigen dan hij doet, namelijk met een vraag om verder te gaan. Rob van de Schoor gaat in het laatste hoofdstuk in op Kees ’t Harts Wederzijds, met een nadrukkelijke plaats voor het debat over moraal, engagement en ‘pamflettenproza’ (een term die ’t Hart hanteerde in een recensie van Grunbergs Onze oom). Het is een complex debat waarin ook steeds weer nieuwe vragen opgeroepen worden, want Van de Schoor eindigt zijn stuk (en daarmee de gehele bundel) met een kwestie waar de lezer zich nog even op kan stukbijten:

“Intussen blijft de literatuurwetenschapper zitten met de vraag hoe hij laatmodernistisch, geëngageerd proza moet bestuderen, zonder daarbij zelf te vervallen in een moreel gekleurde (en daardoor voor de auteur ergerniswekkende) recensie.” (222)

Dat we maar nooit uitgepraat mogen raken over boeken, elkaar steeds weer opnieuw vertellen wat het echt betekent, tegen elkaars schenen zullen schoppen en bovenal: dat we maar nooit een bevredigend antwoord op die vraag zullen vinden. Waarom moest Anna sterven? Vronski! Karenin! Russische landeigenaren!

Literatuur

Batuman, E., The Idiot, New York 2017.
Möring, M., ‘De roman is een hoer geworden, een papieren tijger’. In: NRC, 09-07-2012, <https://www.nrc.nl/nieuws/2012/07/09/marcel-moring-de-roman-is-een-hoer-gewordeneen-papieren-tijger-a1468800>, laatst geraadpleegd: 28 augustus 2018.

Voetnoten

[1] Möring (2012); Coetzee in een blurb bij David Shields Reality Hunger: A Manifesto (New York 2010).
[2] Monkey business van Jan Lauwereyns; Sprakeloos van Tom Lanoye; Mijn meneer en Schuldig kind van Ted van Lieshout; Wapenbroeders van A.L. Snijders; Het hout van Jeroen Brouwers; Wie zoet is van A.H.J. Dautzenberg; Het vlindereffect van Margot Vanderstraeten; Ivanov van Hanna Bervoets; Moedervlekken van Arnon Grunberg; En ik herinner me Titus Broederland van Auke Hulst en Wederzijds van Kees ’t Hart.

Eerder verschenen in Vooys