Vrijdag, 20 april, 2018

Geschreven door: Roeters, Bennie
Artikel door: Lok, Ankie

Tjerk

Jongleren met de waarheid

In de beste passages blijft behendig in het midden of amateurarcheoloog Tjerk Vermaning een bedrieger was of niet. En raakt het begrip bedrog op de helling.

[Recensie] Het is niet de eerste keer dat theater- en prozaschrijver Bennie Roeters een noordelijke hoofdpersoon kiest. Waar hij voor Gagarins engelen (2009) een fictieve verhaallijn optekende, beschrijft hij in zijn nieuwe roman het leven van de roemruchte Tjerk Vermaning (1929-1987). Deze amateurarcheoloog schudde in de jaren zestig en zeventig de wetenschappelijke wereld op met zijn vondsten van paleolithische vuistbijlen, die zouden betekenen dat Drenthe al veel eerder bewoond was dan dat professionele archeologen aannemelijk achtten.

Roeters’ Tjerk is een brutaal schipperskind dat later als scharensliep op zijn ZĂŒndapp door de provincie knettert. Een jongen met eergevoel tegenover zijn juf van de lagere school en die eenmaal volwassen nog altijd indruk op haar wil maken. Het is een verklaring voor zijn leergierigheid, die Tjerk in het vooronder van zijn schip en buiten in het veld aan de dag legt in de archeologie. Hij denkt daarbij iets goeds te doen voor de mensheid en daar slim van te kunnen profiteren. In de ban van de prehistorie zoekt Tjerk fanatiek naar vuistbijlen, schrabbers en andere werktuigen. Het ogenblik dat hij, na een dramatisch fragment waarin zijn dochter bijna in het veen wegzakt, de overblijfselen van een mammoetjagerskamp meent te ontdekken, is een persoonlijke climax:

“Tjerk voelt dat zijn lichaam niet bestand is tegen zo veel overweldigends. Zijn hart klopt onregelmatig, hij krijgt ademnood, zijn benen worden gevoelloos en hij kan zich niet meer oprichten.”

Geschiedenis Magazine

Voelbare spanning

De wetenschappelijke antagonist van Tjerk Vermaning heet in het boek Hermen Hermsen, in werkelijkheid was dit hoogleraar Tjalling Waterbolk van het Biologisch-Archeologisch Instituut in Groningen. Net als bij Tjerk volgt de roman Hermsen vanaf zijn jeugd, een studiebol die een degelijke, risicomijdende professor wordt maar gevoelig is voor concurrentie. Roeters slaagt erin sympathie op te wekken voor dit personage, net zo goed als voor de pochende vrijbuiter. In passages waarin beiden tegenover elkaar staan, wordt de spanning voelbaar. Bijvoorbeeld wanneer Tjerk een delegatie van het instituut langs vindplaatsen rondleidt:

“‘Kijk gerust,’ zegt Tjerk.
Ter Haar en Els geven de schrabber gedienstig aan elkaar door. Els blikt naar Hermen. Die heeft domme spijt. Een van Petters studenten had gewezen op een goedwillende amateur met opzienbarende vondsten. Hermen wist natuurlijk dat het om Tjerk Vermaning ging. Maar om Petter een plezier te doen zegde hij toe, en och, hij vond het wel vermakelijk om eens een kijkje te nemen bij zijn dorpsgenoot.
Nu staat hij hier te schutteren bij een schrabber en zijn vrouw kijkt toe.”

Roeters’ stijl is op zijn best wanneer hij Tjerk en Hermsen tegenover elkaar in stelling brengt. Het zijn twee mannen die hun leven lang elkaar – en daarmee zichzelf – blijven tegenkomen. Deze kern van het boek wordt geflankeerd door plotlijnen die minder relevant lijken, zoals de moeizame relatie tussen Tjerk en zijn vrome vrouw, die de wijk neemt naar Denemarken, en het vluchtige weerzien met zijn dochter. Die laatste vervult in de raamvertelling, die halverwege het boek met Hermsens gang naar het ziekenhuis ook nog eens de chronologie loslaat, een iets te vrijblijvende sleutelrol.

Vertelacrobatiek

Of Tjerk Vermaning zijn vuistbijlen vond of vervalste, is met de werkelijke rechtszaken nooit beslecht. Wanneer er in de roman een voorbijgestreefde collega van Hermsen ten tonele verschijnt en naast het schip van Tjerk aanmeert, kiest Roeters een bestaande theorie over hoe het gegaan zou kunnen zijn, die tegen het einde van de roman expliciet wordt. Dat is jammer: de kracht van de roman zit in de suggestie. Roeters jongleert met de waarheid door de status van de vondsten en de rol van Tjerk steeds behendig in het midden te laten, op Ă©Ă©n suggestieve akkerpassage na, de avond voordat de delegatie met Hermsen komt kijken. Tot dat moment, en toch ook weer daarna, heb je eigenlijk geen idee of Tjerk eerlijk handelt of wel degelijk de kluit belazert.

Deze vertelacrobatiek geeft vaart aan het verhaal; je wilt weten hoe dit verdergaat. Terwijl Tjerk zich bij het universitaire instituut in Groningen naar binnen bluft, maar tegelijkertijd naar beste kunnen studie maakt van de oude steentijd, zet Roeters bovendien begrippen als rechtschapenheid en bedrog op de helling. Dan doet het er al bijna niet meer toe of die vuistbijlen nou echt of vervalst waren. Het is Roeters’ verdienste dat je achterblijft met die gedachte over de zaak.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles