Maandag, 8 maart, 2010

Geschreven door: Zwagerman, Joost
Artikel door: Meuffels, Carmen

Tomaatsj

Een middelmatige vader in een bovengemiddeld humoristische novelle

Joris Veldt krijgt een zoon. Wat voor de gemiddelde man een heuglijke gebeurtenis is, boezemt de getrouwde en tijdelijk werkloze Joris alleen maar angst in. Zijn eigen kindertijd heeft hij ervaren als een aaneenschakeling van vragen waarop geen of onbevredigende antwoorden gegeven werden, van een obsessie met de dood en de daarbij behorende gedachtes aan zelfmoord, en steeds weer de bevestiging van zijn eigen middelmatigheid. Hij was, kortom, geen gelukkig kind. In de novelle Tomaatsj omschrijft Joost Zwagerman Joris’ dappere maar lang niet altijd succesvolle pogingen om een goede vader te worden.

Wanneer Joris Veldt Anneke ontmoet en verkering met haar krijgt, weet hij niet wat hem overkomt. Tot dat moment was hij er namelijk van overtuigd dat hij niemand iets te bieden had, en wanneer Anneke zelfs met hem blijkt te willen trouwen vermoedt hij dan ook dat ze iets griezeligs of gevaarlijks voor hem verborgen houdt. Dat blijkt inderdaad zo te zijn: Anneke heeft een kinderwens en deelt die onomwonden, ‘op het intimiderende af’, mee: ‘Joris, ik wil een kind.’ Hoewel de hoofdpersoon van Tomaatsj onmiddellijk een veto uitspreekt, kan hij zijn vrouw er niet van weerhouden in de maanden daarop een paar keer zorgvuldig de pil te vergeten. Zijn grootste angst wordt werkelijkheid: Joris Veldt wordt vader.

Van begin af aan kost het hem moeite de balans te vinden tussen zijn aankomende vaderschap en zijn leven daarbuiten. Op advies van een zwangerschapshandboekje gaat hij over op praten in de wij-vorm, ook tijdens zijn sollicitatiegesprekken:

‘Mijn vrouw en ik, wij zijn samen zwanger.’ Aan de andere kant van het bureau hield iemand dan heel even zijn hoofd schuin. Waarop ik er haastig aan toevoegde: ‘We mogen misschien zwanger zijn, maar we willen óók heel graag deze baan. Desnoods kunnen we morgen al beginnen!’

Wordt Vervolgd

Onder die ironische en luchtige toon gaat een serieuze opvatting schuil: vader worden is een beangstigende zaak, een moeizaam proces waarin Joris Veldt zich zo goed en zo kwaad als het kan moet voorbereiden op rigoureuze veranderingen. Zwagerman omschrijft de dilemma’s waar Joris mee kampt, en geeft tegelijk een verklaring voor het gedrag van zijn hoofdpersoon door inwijdingen in diens jeugd. Deze flashbacks zijn een welkome afwisseling tussen de hoofdstukken over Annekes zwangerschap. De op jonge leeftijd door de dood geobsedeerde Joris wordt ‘onmogelijk’ genoemd door zijn tot wanhoop gedreven onderwijzers, en belandt op zijn achtste bij een kinderpsycholoog:

Tijdens ons eerste gesprek vroeg ze: ‘Wat wil je later worden, Joris?’ Dat vertrouwde ik niet. Zeg nooit iets over later tegen mensen die je in het heden willen dwarszitten.
‘Zielig,’ zei ik. Het was een oneerlijk antwoord, want dat wás ik al. Vond ik.

Deze tragikomische vertelwijze relativeert alle ellende zodat Tomaatsj geen pessimistisch relaas wordt, maar een humoristische novelle blijft. Het is vertederend om te zien hoezeer Joris Veldt zijn best doet Anneke in alles te steunen, ook al voelt hij zich in de praktijk van verloskundigen, het Verwachtingscentrum, absoluut niet op zijn gemak. Tomaatsj schetst een beeld van een zwangerschap vanuit het perspectief van de man. Dit beeld is niet altijd even realistisch en dreigt soms wel erg stereotypisch te worden, maar blijft geestig:

‘En iedere man die voor het eerst het Verwachtingscentrum binnenkwam, schrompelde per direct ineen tot een geïntimideerd jochie van twaalf, een verlegen scholier met leerproblemen. Je werd verdomme de zoon van je eigen vrouw.’

Als lezer blijf je hopen dat Joris op een dag onvervalste vadergevoelens voor zijn ongeboren zoon zal voelen. Dat blijkt echter telkens niet te gebeuren, ook niet wanneer Anneke hem voor het eerst een echografie van hun zoon laat zien, een licht verkreukeld kopijpapier dat ze plechtig zijn richting opschuift. Joris doet zijn uiterste best om iets te voelen, wat voor emotie dan ook, maar ziet alleen ‘een soort curieus geproportioneerde garnaal met uitsteeksels’ die van alles had kunnen zijn, van ‘een computeranimatie uit een science-fictionfilm’ tot een ‘satellietfoto van het KNMI’. Uiteindelijk, wanneer zijn zoon Thomas (uitgesproken als ‘Tomaatsj’) eenmaal geboren is, blijkt Joris wel degelijk vaderliefde voor hem te voelen, en dat zelfs zonder dat hij er moeite voor hoeft te doen. We kunnen opgelucht ademhalen.

Hoewel de ironie in Tomaatsj van iedere pagina afdruipt, komt Zwagerman toch bij elke bespottelijke overdrijving verrassend uit de hoek door net iets verder te gaan dan hij daarvoor deed. Daarmee drijft hij de spanning op. Ook de plot, die aanvankelijk tamelijk simpel en eendimensionaal lijkt, neemt een totaal onverwachte, haast absurdistische wending. Zwagerman stelt aan de hand van waanideeën, die Joris hoe langer hoe meer ontwikkelt, het fenomeen bevallen vanuit een totaal ander, vervreemdend perspectief voor.

Het sarcasme dat zich ook in ander werk van Zwagerman manifesteert, komt in deze novelle opvallend goed tot zijn recht. Dat lijkt zowel te danken aan het korte, explosieve karakter van de tekst als aan het onderwerp zwagerschap, en aan de succesvolle combinatie van die twee. De uitdrukking ‘dat was een hele bevalling’ zal na het lezen van Tomaatsj in ieder geval nooit meer dezelfde zijn.


Eerder verschenen op Recensieweb

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *