Vrijdag, 8 mei, 2015

Geschreven door: Polak, Chaja
Artikel door: Seelen, Pim

Twintig minuten

De juiste woorden

Verdriet. Het is misschien wel de allerindividueelste menselijke emotie. Chaja Polak toont deze gemoedstoestand in Twintig minuten. Ze vertelt over een vrouw die haar gezin is verloren in een concentratiekamp en daar al jarenlang over zwijgt tegen haar naasten. Een intiem, persoonlijk verhaal waarin de schrijfster ongetwijfeld haar eigen verleden – haar moeder overleefde Auschwitz, haar vader stierf in Dachau – meeneemt. Polak schrijft sober en gevoelig, maar valt ook vaak in herhaling.

Bronia, het ik-personage, heeft Auschwitz overleefd. Als enige van haar gezin: haar dochtertje en man kwamen om. Nu, tientallen jaren later, blikt ze terug op de afschuwelijke tijd die ze in het concentratiekamp beleefde. Een periode die diepe sporen heeft achtergelaten:

‘Afstand in tijd zou er wel komen, vermoedde ik, en dat is ook gebeurd, maar niet in mij. In mij is nooit afstand gekomen tot dat wat daar is gebeurd en het zal nooit komen, het is niet anders, ik zal er nooit van worden verlost.’

Het trauma, een brandmerk

Ze gaat gebrandmerkt door het leven. Zowel figuurlijk, als letterlijk: ‘het nummer op mijn onderarm, ach, daaraan ben ik gewend. Soms vragen ze me of ik bang ben mijn telefoonnummer te vergeten.’ Zo sterk als het kamp haar leven beïnvloedt, zo weinig weet de buitenwereld van haar traumatische verleden. Ze is inmiddels hertrouwd en kreeg met haar nieuwe man een dochter, Evelyne. Beiden weten niets van haar kampverblijf. Bronia heeft er nooit een woord over gesproken. Toch besluit ze dat de tijd nu eindelijk rijp is om alles te vertellen. Twintig minuten beslaat dan ook de uren die voorafgaan aan dit denkbeeldige gesprek, dat honderd pagina’s lang wordt aangekondigd, maar niet plaatsvindt. Dat deert evenwel niet, het versterkt juist het thema van deze roman: je verdriet onder woorden brengen, is soms onmogelijk.

Nederlandse Natuurkundige Vereniging

Polak toont de verwoestende impact die een dramatische gebeurtenis op een mens heeft. Het verhaal springt heen en weer tussen heden en verleden. Via flashbacks beleven we, steeds opnieuw, de aankomst van Bronia in Auschwitz. Hoe ze uit de veewagons wordt gejaagd, hoe ze in een andere rij terechtkomt dan haar dochtertje, hoe ze haar kind weg ziet lopen naar de gaskamers. Deze terugblikken beginnen als korte flarden, maar worden gaandeweg steeds langer en indringender. Ondertussen piekert het hoofdpersonage, in de tegenwoordige tijd, over het aanstaande gesprek. Ze blijft het maar uitstellen: ‘Alles wat ik zal zeggen heb ik uit mijn hoofd geleerd, toch ben ik bang in de war te raken, daarom heb ik meer tijd nodig.’

Stilte voor de storm

De auteur toont zich af en toe een ware taalstilist. Ze beschikt over een sterk inlevingsvermogen, dat ze kunstzinnig verbeeldt, met name in een terugblik op de periode vóór Auschwitz, waar Bronia met haar eerstgeboren dochter een wandeling maakt : ‘Ze richtte zich op en keek omhoog naar het geschitter van licht tussen de bladeren. Kusjes zonlicht vielen op haar kleine gezicht met de gouden sproeten.’ Deze passage voelt door zijn onschuldige aura, de onwetendheid voor wat komen gaat, tragischer aan dan de expliciet beschreven kampgruwelijkheden. Laatstgenoemde scènes worden jammer genoeg zo vaak herhaald, dat ze de overhand krijgen.

Gemaal

Polak laat de dramatische aankomst in Auschwitz steeds terugkomen. Ook in haar taalgebruik herhaalt ze veel en vaak. Dat draagt bij aan de sfeer van het verhaal en verbeeldt de malende gedachten van de ik-persoon. In het begin werkt dat goed: ‘De wijzer die de seconden wegtikt vervolgt zijn trage gang en ik blijf kijken naar het wegtikken van seconden tot vier voor vier, alleen maar kijken’; na vijftig bladzijdes begint het behoorlijk gekunsteld aan te voelen: ‘Ik ken Parijs in de winter, de kou ken ik, buiten wandelen in je warme jas, een wollen shawl om je hals en het toch koud hebben. Koude handen, een koud gezicht.’ De constante herhaling is wellicht inherent aan het nooit ophoudende verdriet van de ik-persoon, maar benadert te vaak spreektaal en voelt in een dunne roman als deze toch vooral als opvulling.

Polak schrijft een intiem, persoonlijk verhaal over de worsteling van een Auschwitz-overlever. Ze toont zich af en toe een ware taalstilist en excelleert met name in de passages die zich níét in het kamp afspelen. In die laatste heeft zij soms te veel woorden nodig om de juiste te vinden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *