Donderdag, 15 april, 2021

Geschreven door: Brendel, Alfred
Artikel door: Quis leget haec?

Uitgerekend ik

Gesprekken over muziek met Martin Meyer

[Recensie] Uitgerekend ik. Gesprekken over muziek met Martin Meyer van Alfred Brendel is een uitstekend boek voor de geïnteresseerde muziekliefhebber. Nu ben ik niet helemaal objectief want ik heb niet voor niets het één en ander van deze Oostenrijkse pianist in de kast staan. Ik was al een liefhebber.

Dat neemt niet weg dat dit interview van zo’n 270 pagina’s zeer de moeite waard is. Brendel spreekt met Martin Meyer, chef cultuur van de Neue Zürcher Zeitung. Meyer is iemand met verstand van muziek, literatuur en kunst in het algemeen en dat is geen overbodige luxe als je tegenover Brendel zit.

Waar kouten de heren zoal over? Om te beginnen over literatuur en lectuur. Brendel is een belezen man en strooit te pas met citaten van de grote Midden-Europese schrijvers. Meyer vraagt hem onder meer hoe zijn wereldbeeld door zijn lectuur werd vormgegeven. Brendel antwoordt:

“Literatuur was voor mijn ervaring van de wereld altijd zeer belangrijk, en ik vind nog steeds dat men de wereld in wezen beter leert kennen door het lezen van de grote romans dan door het observeren van mensen.”

Bazarow

Dat ben ik niet helemaal met hem eens maar de literatuur kan je zeker een eind op weg helpen, dat wel. Het is in ieder geval aardig om via de literatuur bij de muziek uit te komen. Brendel heeft zich gespecialiseerd in een aantal componisten. Haydn, Beethoven, Schubert, Liszt, Schumann en nog zo wat componisten worden belicht. Brendel geeft aan hoe hij de werken benadert en wat voor rol interpretatie speelt. Hij geeft een mooie toelichting bij de Beethovensonate No.12, Opus 26. Martin Meyer maakt eerst een opmerking:

“Dat is de Sonate nr 12, met haar later ingevoegde scherzo, de treurmars en de finale, die weliswaar briljant maar ook ietwat vrijblijvend haar neerwaartse beweging volgt.

Ziet u, daar komt die ‘psychologische compositie’ tevoorschijn. Zou het werkelijk Beethovens bedoeling zijn geweest om de luisteraar na zo’n treurmars op een Cramer*-etude te trakteren? Volgens mij moet een vertolker daar tegen zichzelf zeggen: zo dom of zo nonchalant of zo cynisch was Beethoven niet; en daarom moet hij deze finale niet als een etude spelen, maar al een beetje in de zin van Chopins finale van de Sonate in bes-klein, die ook op een treurmars volgt – als een wind die over de grafzerken waait, maar wel een lauwe wind.”

(* bedoeld wordt een etude van Johann Baptist Cramer (1771-1858) wiens etudes nog steeds door pianisten in opleiding worden gebruikt).

Bovenstaand fragment toont meteen aan hoe druk ik met zo’n boek kan zijn. Ik loop me een breuk naar mijn cd-kast om de voorbeelden te beluisteren, van Beethoven, Chopin en zelfs Cramer. Chopin? Daar deed Brendel bijna niets mee. Na het horen van Alfred Cortot die Chopins etudes speelt besluit hij dat hij dit aan Cortot moet laten (en ik zoek meteen Cortot op die Chopin vertolkt). Dat geldt ook voor de moderne componisten. Hij houdt er zeer van maar laat het aan de jongere garde. Rachmaninov vindt hij verder ‘pure tijdverspilling’ en Tsjaikovski een componist ‘zonder wie ik heel goed kan leven’.

Zulke uitspraken maken het leuk om te lezen. Hij is niet bang stelling te nemen. Kritiek reageert hij niet op, als een ‘pilaarheilige’ staat hij er boven. Gelukkig is Meyer terzake zeer kundig en is hij niet bang Brendel van repliek te dienen of hem tegen te spreken. Dat levert leuk materiaal op, maar is meteen het enige kritiekpunt. Als je muzikaal niet onderlegd bent (ik lees geen noot) dan wordt de discussie af en toe academisch. Ik wil best aannemen dat ‘Beethovens rinforzandis op zowel geaccentueerde noten kunnen slaan als aan het einde van een crescendo kunnen staan’, maar dat gaat mij iets boven de pet. Geïnteresseerden worden keurig verwezen naar Brendels geschreven essays waar hij dieper op deze materie ingaat.

Tenslotte wordt nog ingegaan op de schrijverscarrière van Brendel. Naast zijn essays over muziek schrijft hij poëzie en dat wordt uitgegeven ook. Er komt al met al een portret naar voren van een agnost in balans, die weloverwogen zijn woorden kiest maar ook de humor niet schuwt. Hij zegt zelf:

“Hoewel ik geen uitgesproken zonnig mens ben, had ik al met al geluk met mijn constitutie, met de mensen die me dierbaar zijn, met de mogelijkheid zowel te spelen en te schrijven alsook te kijken. Ik ben zelf een betrekkelijk harmonieuze scepticus.”

Hierbij het besproken fragment, de finale van Sonate No.12, de lauwe wind over de grafzerken. Oordeel zelf.

Eerder verschenen op Quis leget haec?