Zondag, 10 september, 2017

Geschreven door: Dennett, Daniel C.
Artikel door: Verplancke, Marnix

Van bacterie naar Bach en terug

Daniel C. Dennett over de evolutie van ons bewustzijn

Daniel C. Dennett is in de wereld van de filosofie een naam die klinkt als een klok. Al meer dan een halve eeuw buigt hij zich over het vraagstuk wat bewustzijn is. “Wij zien onszelf graag als de hoge heren van de evolutie,” aldus deze nuchtere wijsgeer, “maar in feite staan we op hetzelfde niveau als een termietenkolonie.”

[Interview] “Wanneer iemand je op een feestje vraagt wat je doet en je zegt ‘hoogleraar’, dan krijgt de vraagsteller een glazige blik in de ogen. Vraagt iemand je op een academisch feestje wat je vakgebied is en je zegt ‘filosofie’ dan krijgt die geheid ook een glazige blik in de ogen. Vraagt iemand je op een feestje onder filosofen waar je je specifiek mee bezighoudt en je zegt  ‘het bewustzijn’, dan begint iedereen gewoon hard te lachen.”

Daniel Dennett (75), een van Amerika’s meest gerenommeerde filosofen, vertelt die grap graag, gewoon om duidelijk te maken hoe wij over het bewustzijn denken: als een geest uit de fles die wegwaait bij het minste zuchtje wind. En er schuilt een grond van waarheid in natuurlijk, want ook na vijftig jaar studie weet Dennett nog steeds niet wat dat ongrijpbare bewustzijn precies is. En toch schreef hij er een boek over, Van bacterie naar Bach en terug, de evolutie van de geest.

Je zou het een Het bewustzijn verklaard-revisited kunnen noemen, naar het boek dat hij 26 jaar geleden over hetzelfde onderwerp schreef en hem wereldwijde bekendheid schonk. Maar de tijd heeft niet stilgestaan natuurlijk. Onze hersenen zijn vandaag een veel kleiner mysterie dan een kwart eeuw geleden en dankzij het internet ziet onze wereld er ook helemaal anders uit dan toen. Voor Dennett is het bewustzijn een zaak van evolutie, aanvankelijk alleen biologische via onze genen, en daarna culturele, via memen, culturele items die als een virus onze geest zijn binnengedrongen en daar generatie na generatie pogen stand te houden. Het is een concept dat Dennett overnam van Richard Dawkins. Voorbeelden ervan zijn zowel melodieën en manieren om de wereld af te beelden als slang zegswijzen of het achterstevoren dragen van een petje.

Wordt Vervolgd

Evolutie is een voorbeeld van bottom-up verandering, schrijft Dennett. Niemand heeft bedacht hoe een leeuw eruit zou zien. Die is gewoon zo geëvolueerd. Met het verschijnen van de mens en zijn bewustzijn kreeg deze bottom-up er opeens een concurrent naast: de top-down-aanpak. Wij tekenen een wolkenkrabber, berekenen hoe sterk hij moet zijn om zichzelf te kunnen dragen en bouwen hem vervolgens. Het is opmerkelijk, aldus Dennett dat de evolutie geleid heeft tot een wezen dat deze evolutie niet alleen kon begrijpen, maar er ook op kon ingrijpen.

Meer dan 500 pagina’s telt Van bacterie naar Bach en terug, maar een definitie van bewustzijn zul je er nergens in vinden, en dat is niet toevallig, aldus Dennett, want omdat iedereen er wel zijn eigen idee over heeft, en al die ideeën wel ergens een spoor van waarheid bevatten, is het beter op zoek te gaan naar de eigenschappen die de kern van ons bewustzijn uitmaken. Voor Dennett is die kern onze capaciteit om niet alleen op onze omgeving te kunnen reageren, maar die reacties ook te begrijpen en te kunnen beïnvloeden, en dat op een manier die geen enkele andere diersoort ons kan nadoen. “Dat ik dieren een bewustzijn ontzeg kan controversieel lijken,” aldus Dennett, “Zeker wanneer het over de hogere zoogdieren gaat, maar er is toch wel degelijk een groot verschil. Wij kunnen romans schrijven, wiskundige vergelijkingen opstellen en elkaar interviewen over wat het betekent onszelf te zijn. Een bruine beer kan een bijzonder gewiekste op overleven en voortplanten gerichte jager zijn, maar het idee dat die beer ’s avonds lui achterover gaat liggen om de voorbije dag te overdenken en plannen te maken voor de dag nadien is natuurlijk een romantische fantasie. Dieren zijn nu eenmaal niet in staat tot de niveaus van analyse, kritiek, reflectie, spijt en verlangen waarvoor mensen wel de capaciteiten hebben.”

Wanneer we het over onszelf hebben, waar praten we dan in feite over?

“Die vraag kun je op twee manieren beantwoorden. Laat ons beginnen met de saaie. Wanneer je over jezelf praat, heb je het over dit levende, ademende lichaam, met een zekere lengte en een zeker gewicht. Alleen voldoet dat niet. Wij zijn meer dan dat, voelen we meteen: ons ego. Zeggen we immers niet dat we een lichaam hebben? Dat veronderstelt toch dat er een tweede instantie in het spel is? Er lijkt iemand in dat lichaam te wonen. Dat leidt dan tot het idee dat we een ziel of een geest zouden hebben, een ego of zelf, dat in de controlekamer zit en het fysieke lichaam bestuurt. Wanneer je het zo kort en zakelijk stelt, reageert vrijwel iedereen dat hij het daar niet mee eens is, maar als je even verder kijkt dan je neus lang is zie je dat heel wat intelligente onderzoekers die zich over dit onderwerp uitlaten dit wel impliciet aannemen. Ik zie het nu al meer dan een halve eeuw als mijn taak om mensen ervan te overtuigen dat ze dit idee moeten laten varen en erkennen dat er geen leider in ons brein zit. Het lichaam bestuurt zichzelf door concurrentie en strijd tussen kleinere lichamelijke subunits. Over die strijd heb je het dus wanneer je het over jezelf hebt.”

Het onderscheid tussen lichaam en geest, het befaamde dualisme van de Franse filosoof René Descartes is dus fout?

“Natuurlijk, en dat er vandaag nog steeds zoveel mensen zijn die daar ondanks de ontdekkingen van de neurologie blijven in geloven, vind ik verbazingwekkend. Waarschijnlijk heeft het ermee te maken dat wanneer wij over onszelf nadenken, wij meteen ontdekken wat Descartes beschreef: dat we maar van een ding zeker kunnen zijn: dat we nadenken. De rest kan in vraag gesteld worden. Is de bloem die we zien bijvoorbeeld werkelijk geel, of zien wij ze alleen maar zo door de compositie van onze ogen? Alleen is die fundamentele zekerheid waarop Descartes alles baseerde, namelijk dat hij nadacht en zo iets te weten kon komen over zijn eigen bewustzijn, helemaal niet zo zeker. Descartes’ queeste naar kennis eindigde in de illusie dat wij via ons verstand getuige zijn van onze eigen innerlijke werking, terwijl er natuurlijk niets zo onbetrouwbaar is als introspectie.”

Moeten we dan de neurologische weg op om te begrijpen wat bewustzijn is?

“In zekere zin wel, maar natuurlijk niet een op een. Ik denk dat we ervan moeten uitgaan dat de neurologie niet anders zal zijn dan de andere takken van de biologie. Neem een olifant; een fantastisch dier dat uit verschillende organen bestaat. Hij heeft longen, een lever, ogen, een tong, een slurf en slagtanden. Die zijn allemaal gemaakt van cellen. Een olifant bevat er biljoenen van en  die cellen zijn in feite kleine nanomachines die op hun beurt weer bestaan uit nanomachines. Een van de grote mijlpalen uit de biologie is de celtheorie geweest. We bestaan allemaal uit cellen die afstammen van de eerste levensvormen en samenwerkingen zijn aangegaan met andere cellen. Op het vlak van onze kennis is hetzelfde gebeurd. Een amoebe is een enkele cel. Binnenin heeft ze een bijzonder knap systeem bestaande uit interacties van proteïnen. In feite is dat een informatie-verwerkend systeem dat de amoebe maakt tot een wezentje dat zijn weg zoekt in een wrede wereld. Op die manier komt het bewustzijn inderdaad neer op de werking van neuronen, maar er is natuurlijk geen enkel neuron dat je naam kent, om maar iets te zeggen, of dat weet waar België ligt. Maar jij weet dat natuurlijk wel. We moeten ons naar hogere niveaus begeven om te merken hoe clusters van cellen interacties aangaan en uiteindelijk wel weten waar België ligt.”

Stel je voor dat we het brein helemaal in kaart zouden kunnen brengen. Is het mysterie van het bewustzijn dan ontrafeld?

“Waarschijnlijk wel, maar als dit je doel is, is het volstrekt overbodig. Dat is zoals aan een bioloog vragen of we vandaag voldoende over het leven weten om te zeggen wat het is. Natuurlijk, zal hij zeggen, maar ligt dat niet voor de hand?”

U beschrijft hoe ons bewustzijn het resultaat is van de darwiniaanse evolutie, eerst biologisch via genen en daarna cultureel via memen. Dat onze uit DNA bestaande genen via de voortplanting hun bestaan willen verzekeren is toch een stuk geloofwaardiger dan dat memen dit willen doen. Dat zijn toch gewoon immateriële ideeën? Hoe kunnen die uit zijn op hun eigen voortbestaan door de tijd heen?

“In feite is er geen verschil tussen genen en memen. Beide bestaan uit informatie. Genen zijn niet gemaakt van DNA, net zomin als gedichten van inkt zijn. DNA is het medium waarin onze erfelijke informatie overgebracht en bewaard wordt. Zulke media zijn er ook om culturele informatie over de brengen en te bewaren, zoals inkt en papier bijvoorbeeld, maar ook smartphones. Richard Dawkins legde uit hoe genen zelfzuchtig kunnen zijn. Niet dat ze kleine breintjes hebben en alleen aan zichzelf denken, maar wel dat ze op zoek zijn naar de juiste condities voor hun voorplanting. Memen doen hetzelfde. Ze hebben geen geest. Het zijn culturele ideeën die je kunt beoordelen naarmate ze in de tijd blijven voortbestaan en meer gastheren krijgen. Er zijn duizenden symfonieën die een keer of zelfs helemaal nooit zijn uitgevoerd. De partituren liggen stilletjes uit elkaar te vallen in muziekbibliotheken verspreid over heel Europa. Zij zijn voor altijd verloren en zullen nooit gespeeld worden. De Vijfde van Beethoven daarentegen is een succesvolle meme die blijft leven. Haar informatie blijft zich repliceren. De menselijke cultuur bestaat uit deze winnende memencombinaties, net zoals de biosfeer bestaat uit winnende genencombinaties.”

Mensen zijn dus niet meer dan gereedschap voor genen en memen om hun voortbestaan te garanderen?

“Wij hebben ten onrechte een groot gedacht van onszelf. Au fond zijn we niet meer dan een verzameling van biljoenen cellen, waarbij elk van die cellen net zo weinig besef heeft van zijn bijdrage tot jouw bestaan als een termiet dat heeft van zijn bijdrage tot het voortbestaan van de kolonie. Het is de informatie die de man maakt – of de kolonie in dit geval. Die informatie komt niet uit de lucht vallen. Zij wordt ontworpen door een fantastische combinatie van natuurlijke selectie op biologisch en cultureel niveau, via genen en memen. En tegenwoordig gaat het zelfs verder dan dat. Memen hebben geen mensen meer nodig om zich voort te planten. Ik zie het binnenkort gebeuren dat een liedje wereldwijd een nummer één-hit wordt ook al luistert niemand ernaar. En dat allemaal dankzij de ongelooflijke voortplantingssnelheid van onze technologie.”

Loopt iedere evolutie van leven uit op bewustzijn?

“Het is verleidelijk te denken dat de evolutie een doel heeft: menselijk bewustzijn. Wij zijn immers de enige soort die niet alleen onderhavig geweest is aan deze evolutie, maar ze ook begrijpt. Ik geloof daar niet in. Stel dat een buitenaardse bioloog de aardse evolutie gedurende een paar miljard jaar had kunnen gadeslaan, dan had hij echt niet kunnen voorspellen dat er zoiets als het menselijk bewustzijn zat aan te komen. Dat bewustzijn is immers bijzonder jong. Het is pas een paar honderdduizend jaar oud, terwijl er al meer dan drie miljard jaar leven heerst op aarde. Het is een beetje als vragen of iedere evolutie tot een kangoeroe zou leiden. Natuurlijk niet, zeggen we dan meteen. Bewustzijn is een mogelijkheid, geen noodwendigheid.”

Het bewustzijn is heel jong, zegt u, en de vraag is of het oud zal worden. Wanneer we kijken wat het op korte tijd met onze planeet heeft gedaan, lijkt het bijzonder zelfdestructief toch?

“Misschien is dat wel de reden waarom we nog nooit buitenaards intelligent leven hebben aangetroffen: omdat het zo zelfdestructief is dat het maar heel kort bestaat.”

Onze kennis lijkt exponentieel te groeien. Denkt u dat dit zo zal blijven duren, of zullen we tegen de grenzen van ons begrip aanbotsen?

“Wanneer je onder kennis het verzamelen van informatie in bruikbare vorm verstaat is die groei inderdaad fenomenaal geweest. Het feit dat mensen tegenwoordig toestellen nodig hebben met een opslagruimte van meer dan een terabyte om de trivialiteiten van hun leven op te kunnen slaan, spreekt boekdelen. Wat de vraag betreft of dit blijft duren, vind ik Noam Chomsky’s standpuntwissel op dit vlak betekenisvol. Jarenlang verdeelde Chomsky de grote vragen van het bestaan in twee categorieën. Er waren problemen die opgelost konden worden en mysteries waarop nooit een antwoord zou komen. De aard van het bewustzijn en de vraag of we een vrije wil hebben, vielen daaronder. Ik vond dat decennia geleden al een opmerkelijke stelling. Hoe kon hij nu weten dat er bepaalde vragen waren waar nooit of te nimmer een antwoord op zou komen? Recent zei hij hierover dat we ons in feite geen zorgen meer hoeven te maken over het begrijpen van die mysteries omdat we de technologie hebben om praktische en vertrouwenswaardige antwoorden te bekomen zonder te snappen waarom. Wanneer CERN een wetenschappelijk artikel publiceert, heeft dit meer dan honderd auteurs. Geen van hen begrijpt het artikel volledig. We zien stilaan een soort collaboratief groepsbegrip ontstaan, een ongewone arbeidsverdeling in de academische sector. Als Chomsky dit bedoelt, sta ik aan zijn kant. Onze technologie heeft het mogelijk gemaakt dat dergelijke, uit meerdere mensen bestaande kennisorganen ontstaan die een begripsniveau halen dat voor een enkeling onmogelijk is. Dat is dus ook een voorbeeld van waartoe evolutie kan leiden.”

En Artificiële Intelligentie?

“We moeten hier een onderscheid maken tussen de GOFAI en de nieuwe AI. Good Old Fashioned AI was het idee dat je de hele wereld in een computer kon uploaden en dat die dan intelligent zou zijn. Stilaan is iedereen het erover eens dat dit nooit zal lukken. Daarom heeft men het geweer van schouder veranderd en heeft men computers ontwikkeld die steeds meer informatie vergaren door deep learning. Zij leren uit de praktijk. Die hebben een toekomst, al zal die nooit zo rooskleurig zijn als de AI-afficionada geloven. De bewuste AI-machine die zelf denkt en beslissingen neemt zal er volgens mij nooit komen. AI-collega’s zullen we nooit naast ons op kantoor vinden, en gelukkig maar ook, want aangenaam volk zou het niet zijn. Wel mogelijk is slim gereedschap. Wij zullen altijd de gebruikers blijven. Het grootste deel van de AI zal de mensheid overigens niet verder helpen, maar haar daarentegen nog meer bedelven onder stupide apps en games. Vandaar dat ik ervoor pleit robots zo weinig mogelijk op mensen te laten lijken, zodat mensen niet in de verleiding komen te gaan denken dat ze met een bestaand wezen contact hebben. Ok, AI kan antwoorden geven op de vragen die wij stellen, alleen gebeurt dat niet op de manier waarop wij dat zelf zouden doen. Echte intelligentie wordt het nooit. Het blijft altijd artificieel. Net zoals in een radioreclame steeds gezegd moet worden wat de mogelijke bijwerkingen zijn van een geneesmiddel, zouden ook de makers van AI een boodschap moeten voegen bij hun machines, dat mensen ze niet mogen vertrouwen.”

Moeten we dan bang zijn dat AI onze wereld zal overnemen, zoals Elon Musk en Stephen Hawking beweren?

“We moeten op onze hoede zijn, dat wel, maar waar we ons echt zorgen om moeten maken is niet dat machines intelligenter zullen worden dan ons en ons als hun slaven zullen gaan gebruiken. Dat is een belachelijk idee. Wel verontrustend is onze neiging om zulke machines allerlei bevoegdheden toe te schuiven die hun competenties ver te boven gaan, waarna ze ons leven overnemen. In zekere zin is dat trouwens al zo. Smartphones hebben ons leven veranderd. Ok, er zijn voordelen aan. Zo kunnen mensen in de derde wereld nu geld overmaken naar elkaar zonder beroep te moeten doen op onbetrouwbare diensten of banken. De keerzijde van de medaille is dat we erdoor ook veel afhankelijker worden van factoren die we niet in de hand hebben. Stel dat het internet morgen in elkaar stort. De paniek die daaruit zou voortvloeien zou genoeg kunnen zijn om ons terug naar het stenen tijdperk te katapulteren. Dat is wat mij zorgen baart.”

Eerder verschenen in De Morgen