Maandag, 28 oktober, 2019

Geschreven door: Broeck, Charlotte Van den
Artikel door: Verplancke, Marnix

Waagstukken

Dichteres Charlotte Van den Broeck schreef haar eerste non-fictieboek, over architecten die zelfmoord pleegden omdat ze vonden dat ze een mislukt bouwsel hadden neergezet. Maar ook over haarzelf, ontdekte ze al schrijvend, “ver mijn verlangen naar perfectie,” zegt ze, “en over het onvermijdelijke falen dat daaruit volgt.

[Interview] Het begon allemaal met Zwembad Stadspark in Charlotte Van den Broecks geboortestad Turnhout. Sinds zijn opening in 2005 is dat zwembad nog geen drie maanden na elkaar open geweest. Altijd scheelt er wel iets aan. Is er geen elektriciteitspanne, dan lekt het water wel weg in de kelder of verandert het plots in melk. Het zwembad is ‘voorlopig definitief ‘ gesloten hangt er dan een briefje aan de inkomdeur, waarna iemand na een tijdje die ‘voorlopig’ doorstreept. “Er wordt beweerd dat het zwembad wegzinkt in de moerassige parkgrond,” legt Van den Broeck uit, “Toen ik in 2015 in Wenen was, hoorde ik daar hetzelfde over de opera. Die lijkt ook weggezonken in de grond, een van de redenen waarom de architect ervan het jarenlang zwaar te verduren heeft gekregen, en waarom hij zich uiteindelijk heeft opgehangen. Ik zag die gelijkenis en wou er iets mee doen. Dus ging ik op zoek naar nog meer architecten die zelfmoord hadden gepleegd.”

Over die zoektocht schreef Van den Broeck Waagstukken, een boek waarin dertien gebouwen voorgesteld worden, van een kromme torenspits waar de architect naar verluidt zou afgesprongen zijn, over de Oostendse Grote Post waaraan Gaston Eysselinck ten onder ging en het Schotse Fort George omwille waarvan architect Wiliam Skinner zich een kogel door het hoofd joeg, tot de Kinetic Sculpture Garden die tot de zelfmoord van zijn excentrieke Amerikaan Starr Gideon Kempf leidde. Van den Broeck bezocht alle gebouwen, sprak er met de juiste mensen en merkte al schrijvend dat ze ongemerkt een personage in haar eigen boek aan het worden was. Stilaan groeide immers het besef dat er tussen haar en haar architecten verontrustend veel gelijkenissen waren.

“Dat is wat me aantrok in die architectenlevens, dat ze een schaalvergroting vormden van mijn eigen mislukkingen,’ zegt Van den Broeck hierover. ‘Je zou kunnen opmerken dat een gedicht schrijven toch iets heel anders is dan een opera bouwen, maar voor mij is een gedicht ook een soort architectuur. Het heeft ook een ruimtelijkheid die zich ontvouwt tussen de pagina en de lezer. Rebecca Solnit beschrijft dat heel mooi. De schrijver verkent een terrein en zet een ruimte uit, zegt ze, waarna de lezer nadien diezelfde ruimte verkent.”

Bazarow

Ja, maar een gebouw zie je wel staan, het kan instorten zoals het theater waarover je schrijft, waarbij 95 doden vielen.

Van den Broeck: “Als debutant zat ik er heel erg mee dat wanneer ik een gedicht zou schrijven dat mensen slecht vonden, ik ook slecht zou zijn. Natuurlijk weet ik ook wel dat ik die poëzie alleen maar produceer en dat zij niet helemaal is wie ik ben, maar ik kan die twee nog steeds niet loskoppelen van elkaar. Hetzelfde zag ik terugkomen bij die architecten, maar dan op grotere schaal, omdat gebouwen inderdaad zichtbaarder zijn. Een groot gebouw opleveren duurt jaren. Bij de Weense opera kwam de kritiek al tijdens de bouwwerken. Het gebouw zou te eclectisch worden en geen loutere Griekse of Romeinse imitatie zijn, zeiden sommigen. Die kritiek was op niet meer gestoeld dan een smaakmode natuurlijk, maar hij heeft er wel voor gezorgd dat men uiteindelijk voor een goedkopere steen heeft gekozen en op soms gewoon voor plaaster. Dat moet toch een zware impact hebben op een architect, denk ik dan. Stel je voor dat ik tijdens het schrijven van mijn boek constant kritiek had gekregen, ‘dit is gort en dat is bagger’. Ik denk niet dat er dan een boek zou voorliggen. Voor sommige van de architecten in mijn boek was de publieke ruimte een schavot.”

Weet je nu beter waarom architecten zelfmoord plegen?

Van den Broeck: “Nee. Wat zelfmoorden betreft staan architecten op de vijfde plaats. Schrijvers staan hoger. Ik merkte dat ik vooral in de eerste hoofdstukken op zoek ging naar een causaal verband tussen werk en dood. Maar zelfmoord is meer dan het optellen van een paar redenen, merkte ik al gauw. Het is voor een groot stuk ook onverklaarbaar. Onlangs las ik een artikel over een Nederlandse man die ooit een zelfmoordpoging had ondernomen die mislukt was. Daarna had hij zijn hele leven in het teken gesteld van zelfmoordpreventie, om op zijn vijftigste alsnog zelfmoord te plegen. Dit wijst op de complexiteit van zelfmoord denk ik, en hoe moeilijk het is die terug te voeren tot een paar drijfveren.”

Je hebt dus gefaald. Is het niet omwille van een dergelijk gevoel van falen dat je architecten zelfmoord pleegden?

Van den Broeck: “Aanvankelijk had ik er moeite mee dat ik een boek over zelfmoord ging schrijven, omdat het een thema is dat je als schrijver misschien beter niet verkent, omdat er nogal wat schrijvers zijn die het wel gedaan hebben en met wie het slecht is afgelopen. Dat idee van falen trok me echter aan. Ik denk dat we allemaal een andere maatstaf hebben wat mislukken betreft en dat we er ook allemaal anders mee omgaan. Zelf kan ik er heel slecht mee om. Het is nooit goed genoeg. Als kind maakte ik kleibeeldjes waar ik niet tevreden over was. Ik was altijd heel hard voor mezelf, en ik weet ook niet waarom. Er zijn kinderen die helemaal niet aan introspectie doen of geplaagd worden door een reflectief bewustzijn, maar ik dus wel. Ik heb bijvoorbeeld een heel fysieke herinnering aan een tekening die ik ooit moest maken voor school en waar ik uren en uren aan bezig bleef en waar ik uiteindelijk toch niet tevreden over was. Het boek is dus ook de uitdrukking van mijn eigen extreme faalangst.”

En van een overdreven perfectionisme dat steeds tot teleurstelling moet leiden?

Van den Broeck: “Misschien is zelfmoord dan wel het benaderen van die perfectie, een voltooiing van het levenslange streven naar het volmaakte. Ergens is het dus niet raar dat perfectionisten zo eindigen.”

Karen, de vrouw die je in Glasgow rondgidst in The Kellingrove Art Gallery & Museum heeft het in dit verband ook over het streven naar de stilte die alle geluid overbodig maakt. “Je bent nog jong,” zegt ze tegen je, “ik kan me voorstellen dat jij over een paar decennia ook niet langer van die overlopende regels zal schrijven.” Is de zelfgekozen dood een keuze voor die ultieme stilte?

Van den Broeck: “Dat dichters steeds minder woorden gaan gebruiken naarmate ze ouder worden zie je ook echt. In gesprekken die ik heb met collega-dichters komt dit verdwijnen trouwens regelmatig voor. Ik wil verdwijnen uit mijn werk, zeggen ze dan. Dat is natuurlijk onmogelijk, maar ook ik koester die wens. Na het verschijnen van mijn debuutbundel was ik natuurlijk heel dankbaar dat er iets mee gebeurde, maar anderzijds vond ik het ook jammer dat ik zelf aanwezig moest zijn om de poëzie over te brengen. Dus vatte ik het plan op om in mijn tweede bundel geen enkele keer het woord ‘ik’ te gebruiken, wat vanzelfsprekend helemaal mislukte. Hetzelfde gebeurde in dit boek. Tot een jaar geleden had ik het idee dat ik alleen diehard beschouwende stukken wou brengen. Tijdens het schrijven merkte ik echter dat er iets ontbrak. Ik vond het laf dat ik mezelf uit het boek aan het schrijven was, omdat het uiteindelijk toch een spiegel was van mijn eigen mislukking. Waarom durfde ik het daar dan niet over te hebben? Dus toen vond ik dat ik het verplicht was aan die architecten om ook zelf kritisch te reflecteren op hun zelfmoord. En dus zit ik ook in dit boek. Verdwijnen lukt me nog steeds niet.”

Tijdens je research heb je een paar keer de opmerking gekregen dat je je als jonge vrouw niet met zelfmoord moet bezighouden, dat het niet gezond is. Kreeg je dat gevoel soms ook zelf?

Van den Broeck: “Pas op het einde. Ik had alle reizen gemaakt en moest beginnen schrijven. De research was leuk en spannend en veilig geweest, maar nu moest er een boek komen, en dat moest goed zijn, want ik hou niet van half werk. Ofwel zou dit een boek worden waar ik helemaal achter kon staan, ofwel kwam er geen boek. Ik heb dat ook wanneer ik een dichtbundel samenstel. Gedichten die de bundel niet halen bewaar ik niet. Die gaan onverbiddelijk de prullenmand in omdat ze duidelijk niet goed genoeg zijn. Ik heb dus lang met twijfels gezeten en wist niet goed hoe ik verder moest, tot ik van een vriendin het aanbod kreeg om aan de kust in haar appartement te gaan schrijven, op de dijk, op de negende verdieping. Ik werkte er vijftien uur per dag, zag alleen nu en dan een meeuw voorbij vliegen, sliep heel licht en werd soms om drie uur ’s nachts wakker, waarna ik nog wat verder werkte. Het was heel intensief.”

Maar je had nooit de neiging van die negende verdieping naar beneden te springen?

Van den Broeck: “Nee, maar ik hoorde van Willem Neutelings, van architectenbureau Neutelings en Riedijk, die ondermeer het MAS hebben getekend, dat architecten altijd de neiging hebben om op de bovenste verdieping te gaan wonen. Dat deed me aan High-Rise van J.G. Ballard denken, waarin de bewoners van een flatgebouw volstrekt degenereren tot geweldenaars en uiteindelijk naar de bovenste verdieping trekken om hun gram te verhalen op de architect die daar woont. Maar nee, ik heb er mij het leven niet benomen, ik heb er integendeel een leven gered, dat van een zeehond die op het strand was aangespoeld. Maar ik zat niet veraf van de gedachte, moet ik bekennen. Wanneer je hele dagen met een thema bezig bent, kan dat bijna niet anders.”

Vandaar die laatste zin van je boek, “Een kunstenaar die in zijn slaap sterft, wordt door niemand herinnerd”?

Van den Broeck: “Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot Goethe, Schiller en de Duitse romantiek. Ik weet dat het achterhaald is en niet langer bon ton om het te zeggen, maar ik heb een zwak voor het thema van de kunstenaar als genie. De zin die je aanhaalt staat op het einde van het hoofdstuk over Kempf. Ik denk dat zelfmoord voor hem echt wel een laatste wanhoopspoging was om de geschiedenis te halen. Als ik niet meer kan werken, maak ik er een einde aan, had hij zijn eigen dood in feite al aangekondigd. En ik begrijp dat. Ik ga ook niet tot mijn dood boeken schrijven omdat ik nu eenmaal schrijver ben. Nee, als ik merk dat ik niets meer te zeggen heb, stop ik ermee. Met schrijven welteverstaan, en niet met leven.”

Charlotte Van den Broeck
– °1991, Turnhout
– Behaalde een master taal- en letterkunde Duits-Engels aan de UGent en volgde de opleiding Woordkunst aan het Conservatorium van Antwerpen.
– Schreef in 2012 haar eerste gedicht.
– Debuteerde in 2015 met Kameleon en won er de Herman de Coninck Debuutprijs mee.
– Opende in 2016 samen met Arnon Grunberg de Frankfurter Buchmesse, wat het begin was van haar internationale erkenning.
– Publiceerde in 2017 Nachtroer, bekroond met de Paul Snoekprijs.

Eerder verschenen in Knack Focus

Praten over zelfdoding kan bij hulp- en preventielijn “Zelfmoord? Praaterover’. Telefoonnummer 0900-0113 of www.113Online.nl