Vrijdag, 25 september, 2015

Geschreven door: Coster, Saskia de
Artikel door: Verplancke, Marnix

Wat alleen wij horen

‘Ik wil gewoon walgelijk optimistisch zijn’

De verwachtingen waren hoog gespannen. Zou Saskia de Coster met haar nieuwe roman zichzelf overtreffen? Zou Wat alleen wij horen beter worden dan Wij en ik, het boek dat haar – ook internationale – doorbraak bij het grote publiek betekende? Wat ons betreft zeker.

Er zit een gelukkige, glunderende vrouw voor me. ‘Soms heb je het gevoel dat je de juiste snaar te pakken hebt – of net niet natuurlijk,’ zegt ze. ‘’Toen Wij en ik verscheen, had ik er wel een paar zaken op aan te merken. Over Wat alleen wij horen ben ik veel tevredener. Dit zit goed, ik voel het.’ En inderdaad, dit zit goed, al heeft Saskia de Coster het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. In haar nieuwste boek volgen we de bewoners van het Atlasgebouw, een vooroorlogs woonblok dat volgens de Firma die er eigenaar van is zijn tijd heeft gehad en dus plaats moet maken voor nieuwbouw. In hoofdstukken die aftellen van zeven maanden voor de afbraak tot het moment dat de springstof tot ontploffing wordt gebracht en het gebouw instort, focust De Coster op vijf personages: Anton, de eenzame, een beetje autistische concièrge en bewaker in een grootwarenhuis; Erin, zijn zus die aan haar tweede roman werkt en verliefd wordt op buurvrouw Lou; Melanie, die bij de openbare omroep research doet voor een praatprogramma maar wegens een mogelijke burn-out aan de kant wordt geschoven; Claus, haar zoontje dat de veranderende wereld met reuzenogen gadeslaat en zijn opa George, die in feite helemaal zijn opa niet is, maar wel de dementerende buurman die hem iedere dag van school afhaalt en die nog een keer zijn oude geliefde wil ontmoeten. En dan zijn er nog de Anderen natuurlijk, bewoners die in beeld verschijnen, er even snel weer uit verdwijnen en kleine verhaaltjes opleveren; over twee meisjes die iedere dag een beetje meer afscheid nemen van elkaar of over een man die op een dating-site begint te schelden tegen een vrouw en ontdekt dat ze buren zijn bijvoorbeeld. ‘Ik wist dat dit boek heel snel kon ontsporen,’ vertelt De Coster. ‘Het kwam erop aan niet verloren te lopen in de veelheid van stemmen. Ik heb de neiging om mijn taal alle kanten op te laten schieten, maar door die vele personages zou dat hier tot een onbegrijpelijke brij geleid hebben. Om alles overzichtelijk te houden heb ik uiteindelijk een plan gemaakt op de muur. Wat heb ik mezelf aangedaan, dacht ik toen, maar het verhoogt natuurlijk ook de voldoening eens het boek klaar. Wij en ik schreef bij wijze van spreken zichzelf. Wat alleen wij horen was zwoegen en zweten.’

Doordat het boek aftelt, gaat er ook een zekere fataliteit van uit. Dit loopt ten einde, weten zowel de personages als de lezer.

De Coster: ‘Dat was een grote uitdaging. Het aftellen legt een dwingend verloop op, als een tikkende tijdbom. Het leven is een en al aftellen. Vanaf de dag van je geboorte tel je af naar je dood en veel anders dan verval staat je niet te wachten. Een gebouw vervalt en verdwijnt ooit, samen met alle verhalen die het heeft voortgebracht. Dat is een natuurlijke, organische cyclus. Iets tegen heug en meug in stand willen houden, is niet altijd positief. Dat wijst er alleen maar op dat je de realiteit niet aankan. Want er komt ook iets nieuws voor in de plaats. Het leven in een cyclus en ieder einde kan een nieuw begin zijn. Ik vind dat mooi en hoopvol. Voor mij is er dan ook eerder sprake van verandering dan van verval. Ik geloof sterk in de individuele vrije keuze, maar dat betekent niet dat we ons leven altijd en overal in de hand hebben. Kijk naar Erin die vastbesloten is haar tweede boek te schrijven, maar haar plan onderuit gehaald ziet door de liefde.’

TijdvoorTijdschriften

‘De tijd proberen tegenhouden is als een wesp proberen strelen,’ schrijf je, ‘je zult het je berouwen, hoe zachtaardig je die ook benadert.’

De Coster: ‘Dat is iets autobiografisch. Ik ben een maand op een verlaten eiland voor de westkust van Canada gewoond om aan dit boek te werken. Mijn zoontje van anderhalf was daar aan het spelen toen hij een wesp zag zitten en ze wou strelen. Dat is natuurlijk niet goed afgelopen. Maar nee, je kunt de tijd niet tegenhouden en alles wat je meemaakt verandert je. Ik vraag me wel eens af hoeveel mensen je tijdens je leven ontmoet. Dat moeten er best veel zijn, en allemaal dragen ze bij aan je vorming. De grote beweging nu lijkt me inwaarts te gaan. Onze geest lijkt steeds belangrijker te worden en we moeten daar volgens mij ook op inzetten. Ons leven wordt digitaler. We kijken vaker op een scherm dan vroeger. Dat zorgt voor verinnerlijking. Het grootste deel van ons leven speelt zich in ons hoofd af.’

En dat terwijl we tussen steeds meer mensen wonen.

De Coster: ‘Precies daardoor: je zoekt een plek waar je je eigen ding kan doen. Als je beperkt bent qua ruimte ga je naar binnen. Wij zijn geestelijk tot veel meer in staat dan vroeger. Je moet de huidige tv-reeksen eens naast die van twee generaties geleden leggen. Vandaag gebeurt er heel veel meer in een aflevering. En er komen ook veel meer personages in voor. Veertig jaar geleden had men dat gewoonweg niet begrepen of had men dat psychotisch gevonden of zo. En kijk naar Facebook. Niemand heeft er een probleem mee om op zijn startpagina over te schakelen van het lot van de vluchtelingen naar de dood van Joost Zwagerman en een grappig filmpje over een kind dat ik weet niet wat doet.’

Dat we alleen nog met onszelf bezig zijn op Facebook en daardoor geen tijd meer hebben voor werkelijk menselijk contact vind je positief?

De Coster: ‘Als dat zo negatief zou zijn, waarom doet iedereen er dan aan mee? Ik vind sociale media een vooruitgang. We hebben nu veel meer opties dan vroeger. De wereld is zo groot en divers geworden. Wanneer ik een vriendschapsverzoek krijg van Eddy die op zijn foto met een Cara pils in de hand en in een marcelleke in zijn zetel zit en die daar zelf hartjes rond heeft getekend, aanvaard ik dat graag.’

Na het verschijnen van Wij en ik zei je dat die roman in feite langer had moeten worden. Het deel dat over het heden en de toekomst van dochter Sarah ging had je geschrapt, omdat het niet bij de rest paste. Is Wat alleen wij horen uit dit deel gegroeid?

De Coster: ‘Niet echt, al is er wel een band tussen de twee boeken. Wij en ik ging over mijn positie tegenover mijn afkomst, milieu en tijd. Datzelfde ik staat nu tegenover de gemeenschap waarin het gedropt wordt. Wanneer je dicht op elkaar zit, zoals in een flatgebouw bijvoorbeeld, moet je je wel tot de anderen verhouden. Het interessante daaraan vind ik hoe mensen in elkaars leven binnenkomen, of juist niet, hoe ze elkaar kruisen zonder meer. En dat geplaatst tegen een achtergrond die meer of minder banaal kan lijken; een gedwongen verhuizing.’

Zo banaal is dat toch niet?

De Coster: ‘Voilà, dat bedoel ik nu net. Voor de een is dat een ramp, maar voor de ander is het een uitdaging. Terwijl Melanie zich opeens kan ontpoppen tot actievoerster, waardoor ze een doel krijgt in het leven, ziet George er bijna een weerspiegeling in van zijn eigen psychische verval. En ik zie hier een parallel tussen mens en gebouw. Achter ieder deurtje zit een ander individu, maar dat geldt ook voor een mens. Wij zijn samengesteld uit verschillende kleine stukjes waarvan we het bestaan niet afweten tot ze op bepaalde prangende momenten naar boven komen. Waar komen die stukjes vandaan vraagt de schrijver zich dan af: is het nature of nurture? Ten dele is dat natuurlijk een onbeantwoordbare vraag, maar toch moeten we ze stellen, omdat die verschillende facetten binnenin onszelf ons in staat stellen te veranderen. Als we één groot monolitisch blok zouden zijn, zouden we altijd hetzelfde denken en doen. Ken je het Vier-programma Karen & De Coster? Daarin komt een rubriek voor waarin mensen geconfronteerd worden met hun eigen agressieve Twitter-berichten. Men belt dan aan bij iemand die heeft getwitterd dat alle vluchtelingen terug de boot om moeten worden gezet naar Afrika – of erger – en confronteert hem daarmee. Die mensen worden dan voor hun eigen gespletenheid geplaatst. Een deel van hen heeft dat gezegd, maar een ander deel heeft daar duidelijk moeite mee. Om verandering toe te laten in een maatschappij heb je die veelheid van stemmen nodig. En dat mensen verplicht worden te praten over hun standpunten is op zich al goed.’

En misschien zorgt zo’n programma er ook wel voor dat mensen in het vervolg twee keer nadenken voor ze iets tweeten?

De Coster: ‘Er zit inderdaad een didactisch kantje aan, maar het werkt. Ik ken ook van die klootzakjes die op alles wat je doet met smerigheid reageren in de trant van: “gij vieze lesbische hoer”. Twitter vraagt er bijna om dat het op zo’n manier misbruikt zou worden. Het is een soort roddel 2.0. Al heb ik op zich niets tegen roddelen. Het is een perfecte manier om een gemeenschap bij elkaar te houden omdat het een vorm van verhalen vertellen is. Vandaar ook het succes van de sociale media denk ik. Ook zij voldoen aan een primaire behoefte. We willen allemaal vertellen. Het is zoals met dat meisje dat een brief achterlaat in haar kamer met daarop: “Dag papa, Alles gaat goed met mij. Ik ben er met Ahmed vandoor. Hij is de grote liefde van mijn leven. Samen hebben we een weed-business opgezet, al gebruiken we zelf liever cocaïne. Ik ben zo blij dat ik zwanger ben. Bid tot Allah dat alles goed komt.” En zo gaat het nog een tijdje door om te eindigen met: “Zie je wel dat alles veel erger kan dan een slecht rapport. Het ligt op mijn bureau.” Dat meisje maakt haar slecht rapport acceptabel door er een verhaal rond te bouwen. Onze nood om verhalen te vertellen wijst op een gemis. Het is een manier om een aantal gaten of blinde vlekken in onszelf te dichten. Als schrijver komt dat falen mij natuurlijk goed uit. Zo lang dat er is, is mijn toekomst als verhalenverteller verzekerd.’

Vandaar het motto van T.S. Eliot: “Go, go, go, said the bird: human kind cannot bear very much reality”?

De Coster: ‘Er zijn veel mensen die zich realistisch en nuchter noemen en daar ook trots op zijn. Voor mij zijn zij maar halve mensen. Er bestaat een hiërarchie in menselijkheid en zij die zeggen dat ze niet pessimistisch zijn, maar wel realistisch, zijn voor mij mensen die iets hebben losgelaten. Zij durven niet meer buiten het bestaande treden, en dat is jammer. Maar ik kan het ook wel begrijpen. Wanneer je heel lang in een bepaalde leefwereld zit waar je geen tegenstemmen hoort, krijg je een enge kijk op de zaak. En dan ga je je bijvoorbeeld afvragen waarom cultuur in feite nodig is en waarom wij daar met zijn allen voor moeten betalen. Mensen hebben de neiging weg te lopen van de werkelijkheid. Dat kun je hen niet kwalijk nemen.’

Claus is zes. Zelf heb je een zoontje van anderhalf. Maakt zo’n jongen een schrijfster milder?

De Coster: ‘Eeuwige roem, mijn derde boek, vind ik zelf mijn meest optimistische en hoopvolle. Ik denk dat optimisme onze enige optie is. Als je ergens in gelooft, iets maakt of een kind op de wereld zet, kun je toch niet anders dan positief zijn? Ik vind het interessant om de menselijke geest uit te pluizen in al zijn tegenstellingen, en dus ook de donkerste hoekjes ervan te verkennen, maar negativiteit vind ik uiteindelijk een zwaktebod. Ik wil gewoon walgelijk optimistisch zijn.’

Ook vandaag, met alle economische, milieu- en andere crisissen die ons overvallen? Het was in de jaren 1970 toch een stuk makkelijker om optimistisch te zijn?

De Coster: ‘Misschien, maar vind je het niet opmerkelijk dat de generatie die het toen heel makkelijk had vandaag getekend wordt door gezanik en zuurpruimerij? Alle anderen zijn profiteurs, terwijl zij wellicht het meest van al geprofiteerd hebben. Vandaag zie ik een generatie aankomen die wel over mildheid beschikt en de noodzaak voelt om in een gemeenschap te leven en te kunnen geven. Verstedelijking is een feit. Over 20 jaar leeft 70% van de wereldbevolking in een stad. Steden zijn plaatsen waar heel veel mensen dicht op elkaar zitten. Wat is dan de optie? Dat we elkaar gaan uitmoorden? Ik dacht het niet. We zullen veel conflicten en confrontaties aangaan, maar uiteindelijk zal toch een bepaalde vorm van solidariteit moeten overwinnen. Ik weet het, sommigen zullen de geborgenheid van het dorp missen, maar de anonimiteit van een stad kan ook heel mooi zijn. Je loopt over straat. Iemand struikelt, lacht daar zelf om en glimlacht naar jou. Jij glimlacht terug en jullie vervolgen jullie weg. In een dorp zou je dan moeten zeggen: “Oei Jefke, gaat het? Heb je weer last van je knie?”’

Verschenen in De Morgen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *