Zondag, 3 september, 2017

Geschreven door: Kennepohl, Hans
Recensie door: Heumakers, Arnold

We zijn nog nooit zo romantisch geweest

Romantiek maakt de dienst uit

De belangstelling voor de Romantiek is groter dan ooit, zo blijkt uit twee belangrijke boeken. Een Nederlandse filosoof meent zelfs dat we nu meer in de ban van de romantische ‘ideologie’ zijn dan in de 18de eeuw.

Volgens filosoof Hans Kennepohl zijn we nog nooit zo romantisch geweest. Dus waar je ook kijkt in het verleden, we waren altijd minder romantisch. Ook in de tijd (1780-1850) van de Romantiek zelf? Het is waar dat de romantici vaak klaagden over hun tijdgenoten, die ze afschilderden als platte ‘filistijnen’, verstoken van ieder gevoel voor ‘poëzie’.

Zelf heb ik hier [NRC/red.] ooit (Boeken, 21.05.1999) verdedigd dat de jaren zestig de hoogtijdagen waren van de Romantiek in Nederland, met schrijvers die werden vereerd als profeten, breed verzet tegen burgerlijke bekrompenheid, en geloof in de creatie van een alternatieve wereld. Kennepohl daarentegen wijst op het toen nog aanwezige tegenwicht van het christendom; het nationalisme moest zijn revival nog beginnen en lang niet iedereen was destijds romantisch. Tegenwoordig is de Romantiek mainstream geworden. Vandaar dat hij het heden aanwijst als de meest romantische periode.

Het ligt er maar aan waar je op let. Kennepohl speurt in We zijn nog nooit zo romantisch geweest naar romantische sporen in het alledaagse leven. En ja, dan is er heel wat te vinden, van het herleefde nationalisme tot het enorme belang dat wordt gehecht aan emoties en gevoelens, van het verlangen naar authenticiteit tot de waardering van verbeelding en fantasie.

Hereditas Nexus

Het klinkt misschien abstract, maar Kennepohl weet er steeds concrete invulling aan te geven. De grote attractie van zijn boek zit niet in de laatste plaats in de aansprekende, vaak hilarische voorbeelden. Hij schrijft onder meer over thuis bevallen, de vermeende onschuld van het kind, de studiekeuze (liever iets wat je leuk vindt dan wat nuttig is), de jeugdcultuur, de dierenliefde (al noemt hij de wilde natuur een tikje te ‘wreed’ voor ‘onze tere romantische harten’), Numi-thee (gezond, natuurlijk en ambachtelijk), de terugkeer van ‘vergeten groenten’, design (‘romantisering van industriële producten’), spiritualiteit en de nieuwe rouwrituelen – telkens blijkt er een romantische oorsprong te zijn.

Volgens Kennepohl verkeren we in de ban van een romantische ‘ideologie’, zonder dat we het zelf in de gaten hebben. Daar zit een grote kern van waarheid in, maar Kennepohl overdrijft. De romantische oorsprong heeft meestal niet het alleenrecht, bij veel ‘romantische’ fenomenen spreekt ook de Verlichting een woordje mee.

Maarten Doorman liet in De romantische orde (2004), het boek dat Kennepohl heeft geïnspireerd, de Verlichting vrijwel weg – tot mijn verbazing. Kennepohl gaat niet zo ver, hij geeft toe dat de Romantiek vaak een ‘logisch vervolg’ is van de ideeën uit de Verlichting. Met als resultaat een niet zozeer romantische als wel fundamenteel verdeelde cultuur.

Mensenrechten

Dat we nu zo romantisch zijn, zoals Kennepohl betoogt, wil dus niet zeggen dat we niet even zo verlicht zijn. Zie de cultus van de techniek (in het Westen niet minder groot dan in een ‘onromantisch’ land als Japan, al prefereert men bij ons de smartphone boven de robot), de politieke religie van de mensenrechten, het geloof in wetenschap en statistiek, het dominante utilitarisme (wat geen nut of succes heeft, telt niet mee), de economie als centrale politieke preoccupatie en de paradoxale mix van individualisme en conformisme die ons collectieve gedrag bepaalt. Bij dit laatste voorbeeld is het verlichte element overigens amper te scheiden van het romantische, ziedaar de moderne verdeeldheid in actie.

De minste aandacht besteedt Kennepohl aan het terrein waar de Romantiek nog altijd het meest in het oog springt: de kunst. Maar daar schrijft ‘iedereen’ al over. Desondanks wordt de romantische herkomst van onze esthetische ideeën en categorieën soms amper beseft, hoewel het beter is om ook hier van verdeeldheid te spreken. Veel van die ideeën en categorieën zijn voor het eerst opgedoken in het esthetische debat van de Verlichting, inclusief de idee van een ‘esthetica’ als aparte filosofische discipline die zich bezighoudt met de schone kunsten; zelfs de notie van zelfstandige ‘schone kunsten’ is een verlichte uitvinding.

Wel is het zo dat die verschillende ideeën en categorieën door de romantici zijn aaneengevoegd tot het moderne kunstbegrip, dat ons denken en spreken bewust dan wel onbewust stuurt zodra het over kunst en literatuur gaat. Dit kunstbegrip heeft ontegenzeggelijk last van lokale erosie, maar een serieus alternatief voor artistieke eisen en waarden als originaliteit, vernieuwing, kritiek, autonomie, engagement, grensverleggendheid, etc. ontbreekt vooralsnog.

Voor het eerst is het nieuwe moderne kunstbegrip zichtbaar geworden in de vroege Duitse Romantiek van de late achttiende eeuw, toen zich in Weimar, Jena en Berlijn een onwaarschijnlijke concentratie van talent en genie voordeed, met dichters en denkers als Herder, Goethe, Schiller, de gebroeders Schlegel, Novalis, Schelling, Hölderlin, Tieck en Schleiermacher.

Over hun betekenis voor de actuele filosofie gaat de bundel The relevance of romanticism, samengesteld door de Amerikaanse filosofe Dalia Nassar. In de Angelsaksische academische wereld is de belangstelling voor de Frühromantik volgens haar enorm toegenomen. De oorspronkelijke impulsen komen echter uit Duitsland; niet toevallig is het eerste essay afkomstig van Manfred Frank, emeritus hoogleraar uit Tübingen, die met talloze studies onze kennis ter zake heeft vernieuwd.

Frank wordt eer bewezen door Frederick C. Beiser, een eminente Amerikaanse specialist op het gebied van de Duitse Geistesgeschichte, en wel door met hem van mening te verschillen. Het dispuut gaat over de vraag in hoeverre de vroege romantici nu wel of niet tot het Idealisme (Kant, Fichte cum suis) mogen worden gerekend: Frank vindt van niet, Beiser van wel. Helaas bereiken de argumenten zo’n Byzantijnse graad van verfijning (in wezen gaat het om een semantische kwestie: Frank en Beiser blijken onder ‘Idealisme’ niet hetzelfde te verstaan) dat dit steekspel buiten de academie op weinig interesse zal kunnen rekenen. Zo onderstrepen deze op zichzelf erudiete en deskundige essays onbedoeld de kwaliteit van Kennepohls boek dat het wél in zich heeft om een breed, algemeen publiek aan te spreken.

Ecologisch denken

Ook de andere essays in The relevance of romanticism zijn allereerst voor kenners en specialisten geschreven. Evenmin is altijd duidelijk wat nu de relevantie van de Frühromantik is voor de actuele filosofie. Dat geldt niet voor Nassars eigen bijdrage, waarin zij Goethes natuurfilosofie aanbiedt als een inspirerende bron voor het huidige ecologische denken. Nuttig is ook de eliminatie van een aantal vooroordelen ten aanzien van de Romantiek, bijvoorbeeld dat de romantici tegen rede en wetenschap zouden zijn geweest. Goethes idealistische en tegelijk empirische benadering van de natuur blijkt een mooi voorbeeld van de eigen manier waarop de Romantiek wetenschap bedreef.

Voor menigeen zullen de essays over Romantiek en wiskunde verrassend zijn. In het bijzonder de bijdrage van John H. Smith over ‘het oneindige’ vond ik de moeite waard, omdat hij de wiskundig-filosofische achtergrond schetst van een centrale romantische categorie. Idealistische filosofen werden destijds geobsedeerd door het Absolute, het samenvallen van subject en object. Volgens de romantici was het Absolute bereikbaar, zij het slechts in een unendliche Annäherung – in de praktijk werd het dus nooit gehaald. Maar dankzij een unieke combinatie van ironie en enthousiasme bleef men toch zinvol bezig. De – eindeloze – weg was voor hen van groter gewicht dan het doel.

Het is deze benadering die Frank ‘realistisch’ noemt. Anderzijds kun je het vasthouden aan het Absolute als nastrevenswaardig ideaal ook ‘idealistisch’ noemen. Zo krijgen Frank en Beiser allebei gelijk. Het zou de romantici, die in de verdeelde moderne wereld vóór alles naar samenhang en synthese verlangden, deugd hebben gedaan.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad en op www.arnoldheumakers.nl