Vrijdag, 11 november, 2016

Geschreven door: Goedegebuure, Jaap
Artikel door: Bregman, Kees

Wit licht

Dichter bij het licht

[Recensie] “Mystiek is niet het monopolie van gelovigen”, luidt de eerste zin van het boek Wit licht. Poëzie en mystiek in de Nederlandse literatuur van 1890 tot nu, waarin Jaap Goedegebuure een aantal proeven van zijn langdurige fascinatie voor het mystieke in de Nederlandse literatuur heeft verzameld. Deze zin is een intrigerend votum voor een theoloog die zich voor een letterkundig forum waagt aan een bespreking van de collectie erudiete essays.  Natuurlijk is de ervaring van één zijn met de werkelijkheid niet voorbehouden aan wie een (christelijk) orthodox geloof in God koestert. Mystiek is een universeel fenomeen. In alle tijden, culturen, religies en levensbeschouwingen hebben mensen weet van de mogelijkheid dat het menselijk bewustzijn de beperkingen van het ‘ik’ ontstijgt en men zich opgenomen voelt in een bezield verband. Een verband dat zich in vele variaties manifesteert: in de relatie met de ander of volstrekt eenzaam en op zichzelf, in het unieke van het hier en nu of in een kosmische samenhang, betrokken op God of op de natuur, in het uitzonderlijke of in het alledaagse, in het lichaam of in de geest, als sensatie of als inzicht, enzovoort. De opsomming kan niet volledig zijn. Voor wie het wil zien is mystiek niemands monopolie.

Goedegebuure bakent in het inleidende hoofdstuk de hoofdlijnen af waar het hem om te doen is. Een omschrijving van de theoloog en godsdienstwetenschapper Paul Tillich vormt zijn kompas: “Mysticism means inwardness, participation in the Ultimate Reality through inner experience.” (13) Daarnaast sluit hij aan bij Van de Watering: “De mystieke ervaring is een bewustzijnstoestand (…) waarvan de belangrijkste [eigenschap] is: het ervaren van eenheid, een-wording of vereniging (…).” (12) Belangrijk is dat mystiek hier geduid wordt als een ervaring. Het overkomt je. Je kunt ernaar zoeken, maar het ligt niet voor het grijpen. Alle mystiek heeft weet van een mystieke weg. De route laat zich naar algemeen inzicht in drie fasen schetsen.

In de eerste fase is er sprake van loslaten, projecties opgeven, leeg worden, vaak onder druk van omstandigheden en gebeurtenissen. De tweede fase treedt in met een doorbraak in het bewustzijn. Ineens is er ‘wit licht’, van buitenaf of van binnenuit, beide is mogelijk. Er dringt zich een ongedacht nieuw besef op; voor korte tijd versmelten subject en object (unio mystica). De ervaring is even onuitsprekelijk als onvergetelijk en zet degene die haar ontvangt in een niet eerder gekend bewustzijn van verbondenheid met alles en iedereen. De derde fase omvat het wegebben van de impuls die de mystieke ervaring heeft teweeggebracht. Men kan niet in de mystieke ervaring blijven. De leegte keert terug, het leven herneemt zijn loop, maar wordt voortaan anders geleefd, zoals Vasalis onovertroffen heeft verwoord: “Ik heb het angstig ondergaan / ik kwam er sterk en nieuw vandaan” (slotregels van Onweer in het moeras in Parken en woestijnen uit 1940). De ervaring is veelal eenmalig.

Andreas Burnier

Boekenkrant

De vraag is nu hoe deze universele mystieke ervaring zich verhoudt tot literatuur, en in het bijzonder tot poëzie. Mystiek heeft een ambivalente verhouding met taal. De ervaring zelf is niet in woorden te vangen, en toch ‘dwingt’ zij tot schrijven. Wat geschreven wordt heeft naar mijn idee alleen betrekking op de eerste en de derde fase. Poëzie als ontregelde en ontregelende taal is bij uitstek geschikt om de vervreemding of onthechting in de aanloop naar de mystieke ervaring te verwoorden. Dit inzicht is een adequate leeswijzer voor bijvoorbeeld de teksten van Lucebert. Ook kan poëzie of proza achteraf de ervaring beschrijven. Goedegebuure geeft een mooi voorbeeld uit De litteraire salon (1983) van Andreas Burnier, waarin de mystieke ervaring zélf buiten het bereik van de auteur valt. (208) De beschrijving van de ervaring is nu eenmaal niet de ervaring zelf.

Maar, als ik het goed zie, is het wel mogelijk dat de lezer een mystieke ervaring overkomt. Misschien is dit juist wel de ultieme betekenis van poëzie: dat zij in staat is de ontvankelijke lezer voor een moment de ervaring van verbinding met alles en iedereen te bezorgen. Ik zal nooit vergeten hoe enkele regels uit de cyclus Naam van Hans Andreus, als geen ander een dichter bij het licht, bij mij binnenkwamen, mijn horizon opentrokken en bij mij bleven als herinnering aan een ongeweten weten: “Het licht gaf me taal, deed me teken / maar het licht is me nog niet genoeg / als ik je niet aan kan spreken // bij een naam die me optilt en draagt, / jij die uit bovenste hemelbogen / mijn kiem naar de aarde droeg.”

Deze evocatie van een mystieke ervaring bij de lezer zou men kunnen beschouwen als de intentie van de auteur. Misschien moet men wel een beetje gelovig zijn om in poëzie een mystiek moment te kunnen ervaren. ‘Gelovig’ betekent dan: openstaan voor een aanspraak die het zelf overstijgt. Goedegebuure wijst in dit verband meermalen op de Rijnlandse mystieke prediker Meister Eckhart (veertiende eeuw) en diens aandacht voor een geesteshouding van ontvankelijkheid, de zogenaamde gelatenheid. “Dankzij het intensieve contact met Eckhart had [C.O.] Jellema wel het vermogen verworven om zich open te stellen voor het appèl [sic] van het ‘mystieke denkwerk’.” (138)

Willem Jan Otten

De grote verdienste van Jaap Goedegebuure is dat hij verheldert hoe het werk van een aantal belangrijke auteurs binnen het verstaanskader van de mystieke ervaring en de mystieke weg gelezen kan worden. Ongetwijfeld heeft de selectie van de besproken auteurs te maken met zijn eigen voorkeuren. Het boek is typisch een bundeling van een emeritus hoogleraar: de oogst van decennia denkarbeid, met onontkoombare herhalingen en leemtes, weliswaar met een inleiding maar zonder conclusies, een boek dat net zo caleidoscopisch is als het thema ‘mystiek’ zelf. Juist zo kan dit werk fungeren als oriëntatie binnen het literaire veld. Goedegebuure bespreekt per hoofdstuk meerdere verwante auteurs. Dat levert boeiende lijnen op. Wanneer het bijvoorbeeld gaat over de mystiek van de alledaagse werkelijkheid (57) voert hij de lezer langs Paul van Ostaijen, Johan Andreas dèr Mouw,  J.C. van Schagen, Nescio en Chr. J. van Geel. Aandacht voor het incarnatiemotief bij Martinus Nijhoff (73) leidt tot een uitvoerige bespreking van De vlek van Willem Jan Otten.

Het boek blinkt uit in fijnzinnige analyses en biedt een reeks vruchtbare onderscheidingen om uit elkaar te houden wat wel en niet als mystiek gelezen kan worden. Immers, niet alles wat mystiek lijkt is dat ook daadwerkelijk. Zo is er bijvoorbeeld quasi-mystiek bij Lodewijk van Deyssels Een liefde (1887) en Couperus’ Extaze (1892) in sensitivistische sfeertekeningen en belevingen. ‘Mystiek’ betekent dan zoveel als ‘geheimzinnig’ of ‘opgewonden’. Dit vraagt om een nauwkeurig onderscheid tussen taal (de verwoording) en ervaring (de mystieke beleving). Het is evident dat sommige christelijke mystici zich bedienen van erotische taal om hun ervaring van eenwording met God of Christus te verwoorden. (28) Zij hebben de allegorische lezing van het Bijbelboek Hooglied aan hun zijde. Het zou mijns inziens echter een misverstand zijn om aan te nemen dat de mystieke ervaring samenvalt met de seksuele ontlading. Bij het laatste is eerder sprake van bewustzijnsvernauwing dan van bewustzijnsverruiming. Dat de taal erotisch-seksueel getint is, wil  nog niet zeggen dat de (mystieke) ervaring dat ook is.

Goedegebuure bespreekt deze invalshoek ook bij Gerrit Achterberg en plaatst hem in het verband dat Georges Bataille ziet tussen erotiek, geweld en religie. (158) Volgens Bataille roepen grensoverschrijdingen op deze terreinen (het doorbreken van taboes) de diepe innerlijke ervaring op waar het in de mystiek om gaat. Wat betreft religie markeert ‘het heilige’ deze grens. Ik vraag me echter af of het altijd de angst is die de mystieke ervaring ‘uitlokt’. Er is nog een andere duiding mogelijk. Het heilige heeft ook een energetisch aspect. Als ‘het heilige gebeurt’ is er sprake van de hoogspanning van de liefde. Achterbergs gedicht Verzoendag is niet minder dan een poging de mystieke ervaring te evoceren. (161) Juist de veronderstelling dat het woord scheppende kracht heeft, verbindt poëzie met mystiek. Of is dat een te protestants perspectief? ‘Het woord verwijst naar een spirituele kracht, wie weet zelfs naar een vorm van geloof’, refereert Goedegebuure aan Nijhoff-adept Willem Barnard. (96)

Eclecticisme

In de laatste hoofdstukken doet Goedegebuure een poging het perspectief te verbreden door de invloeden van zen, tao en soefi te bespreken. Hij doet daarmee recht aan het universele karakter van de mystieke ervaring. Het zijn hoofdzakelijk eerste verkenningen. Ik vraag me hierbij af hoe de besproken auteurs – onder anderen Burnier, Lucebert en Hans Faverey – zich verhouden tot de religieuze tradities waarvan zij uitdrukkingsvormen (bijvoorbeeld de ‘koan’) opnemen. Mijn indruk is dat het hen niet zozeer te doen is om het specifiek religieuze gedachtegoed, zoals het wereldbeeld, het mensbeeld, de rituelen en de moraal, maar vooral om de talige mogelijkheden die ermee gegeven zijn. ‘Levensbeschouwelijk eclecticisme’ (208) werkt als een vruchtbare bodem voor poëzie met een mystieke inslag.

Hoe dicht poëzie en mystiek bij elkaar liggen, als ‘vorm’ en ‘inhoud’, is ten slotte te illustreren aan de hand van het werk van Nijhoff, waarin het motief van de incarnatie (de menswording van Christus, de ‘vleeswording’ van het woord) fungeert als poëticale metafoor. Een goed gedicht, meent Nijhoff, is ‘van vlees en bloed’. Het wortelt in de werkelijkheid, interpreteert Goedegebuure terecht. (76) Mystiek dient uiteindelijk niet om los te raken van de aarde en de wereld van de mensen. Goede mystiek werkt mijns inziens ethisch; zij zet aan tot verantwoordelijkheid. Het doet me deugd dat Goedegebuure zijn boek besluit met ‘een opdracht aan ons, liefhebbers van de poëzie die hoog en laag, eeuwigheid en moment, jou en mij verbindt en doorstraalt met wit licht.’ Neem en lees.

Eerder verschenen in Vooys