Vrijdag, 15 mei, 2020

Geschreven door: Rawie, Jean Pierre
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Woelig stof

Het niet te winnen gevecht van Jean Pierre Rawie met de tijd

[Recensie] Gedichten moet je tenminste twee keer lezen voordat je er iets over kunt zeggen. Bij poëzie nog meer dan bij proza beïnvloedt de eigen gemoedstoestand je oordeel bij het lezen. Kun je bijvoorbeeld donkere gedichten op waarde schatten in een jolige bui? Bij de gedichten van Jean Pierre Rawie, die zichzelf een dichter van de ‘sombere soort’ noemt, moet je er wel een beetje voor in de stemming zijn. Bij de eerste lezing pakte zijn poëzie in de bundel Woelig Stof me niet. Dat kwam ook omdat in deze bundel de laatste gedichten van zijn hand in het tweede deel de zwakste zijn. (De bundel heeft ook een tiental vertalingen van Rawie van Russische, Spaanse en Italiaanse dichters.) En die laatste blijven je dan bij. Dat had niet zozeer met de thematiek te maken maar wel met de vorm van de gedichten. Gebruikt Rawie vooral in het eerste deel en begin van het tweede deel het sonnet en kwatrijnen, achterin staan enkele gedichten met telkens strofes van twee regels en die hebben meer weg van liedteksten waarin dwangrijm onoverkomelijk lijkt.

Rawie gebruikt dan zinnen als:

“wij hebben geen weet van het reddeloos leed
dat eindeloos omgaat op deze planeet”
(Rook)

of

Archeologie Magazine

“’s Nachts zijn alle steden
     verblindend verlicht,
en heb je beneden
     op boven geen zicht.”
(De sterren)

De meeste gedichten in de bundel maken wel indruk, dan laat Rawie als geen andere dichter van deze tijd zien hoe traditionele dichtvormen als de sonnet of het kwatrijn nog steeds in te zetten zijn om de diepste gevoelens van ons mensen te vatten. Neem het sonnet Intensive Care waarin hij de liefde voor zijn moeder bezingt:

“Volgens de dokters wordt zij weer gezond,
en rond haar sponde waken apparaten
die pompen, bloeddruk meten, aderlaten,
van alles doen waarvan ik niets doorgrond.

Een dikke slang die ademt door haar mond
maakt dat wij geen van tweeën kunnen praten,
maar zij heeft alles alweer in de gaten
en kijk met kleine oogjes in het rond.

Ik kan slechts met mijn hand wat clandestien
over een blote arm en schouder strijken,
en ben nog nooit zo dol op haar geweest.

Maar toch, als voor mijn boze oog bevreesd,
durf ik niet naar de monitor te kijken
waarop mijn moeders hartslag is te zien.”

In Woelig stof is ‘tijd’ het meest voorkomende woord. De tijd of een andere aanduiding voor de tijd komt bijna in elke gedicht terug. En de tijd werkt bijna altijd in het nadeel van de dichter én van de lezer. “Ik voel de tijd verstrijken, ” zegt Rawie in Nachtlokaal. In Zandloper is het: “In alles zit de kanker van de tijd.” En in Vonnis zegt hij dat het “De tijd [is] die alles vroeg of laat ontwricht” of zoals in Adieu overal tussen komt te staan:

“Ook deze liefde deed ik uitgeleide,
en weer was het: Adieu, mijn hart; aanstonds
is het gedaan met jou, met mij, met ons
en schuiven tijd en ruimte tussenbeide.”

Rawie ziet overal het verval, de meeste gedichten spelen zich af in de herfst en winter, het regent en alles is of gaat dood, geliefden overlijden, herinneringen vervagen. Rawie bezingt het verlies als een constante in het leven en de tijd is de grote schuldige. Als je je voortdurend bewust bent van de vergankelijkheid, dan valt niet te ontkomen aan de tijd. Zorgeloos leven in het hier en nu is er voor deze dichter niet bij. De tijd is je grootste vijand, je weet dat alles overgaat of al is afgelopen.

Een enkele keer in de bundel lijkt de tijd toch een vriend te kunnen zijn. In het gedicht Ooit is er hoop, tegen beter weten in:

“Wie weet keer ook de tijd die is vergleden
eens tegen de reden om
en worden lijnen die elkaar nooit sneden
alsnog als door een wonder krom,
zodat ik je in volmaakt verleden
opnieuw in het leven tegenkom.”

En in een door Rawie vertaald gedicht van Alexandr Blok staat: “De tijd heeft ons niet aangetast.” Maar maak je ook hier geen illusies, ook hier gaat het om dood en verval en vertelt de dichter over zijn vroeg gestorven geliefde die gelijk bleef “door al die jaren: streng, schoon en stralend als voorheen.” De tijd heeft zijn herinnering deze keer niet aangetast, maar kwijt is hij haar wel.

Overigens passen de vertaalde gedichten uitstekend bij de thematiek van Rawie’s eigen gedichten. Ik ben de oorspronkelijke talen niet eigen, maar de vertalingen zijn kunstwerken op zich. Erg mooi.

Twee andere woorden die veel voorkomen in de bundel zijn ‘stof’ en ‘as’, in de Bijbelse betekenis. “Ik weet dat stof tot stof keert, as tot as,” verzucht Rawie in Inzicht om tot de conclusie te komen dat het allemaal geen zin heeft. “Wat grijpt mij nog aan, terwijl ik toch / allang doorgronde dat het leven zo’n / intens lamlendige vertoning was.” Zijn geliefde noemt hij in Credo “een handvol woelig stof, een schep bedorven aarde,” en voegt er nog aan toe: “of / je bent de zin van alle dingen.” De liefde is wat zin zou kunnen geven aan het leven droomt Rawie voortdurend, maar de liefde is ook ijdele hoop, het werkt nooit.

“en al waar wij maar enigszins om geven,
(ik het je niet willen zeggen) staat
in dit gedicht ten dode opgeschreven.”
(Vonnis)

Rawie’s wereldbeeld lijkt zwart als as. We zijn druk in de weer met van alles en nog wat, we worden verliefd en door onze eigen onmacht en door het wrede lot van de tijd (ouderdom en verval) verprutsen we het keer op keer. Zijn we allen niet woelig stof?

Is het dan alleen maar kommer en kwel in het leven van deze dichter? Nee, in zijn columns laat Rawie zijn lezers flink lachen en enkele keer kan hij zich ook in zijn gedichten en vertalingen niet inhouden. Neem, om niet al te somber te eindigen, het geestige gedicht over dichtersleed van de Spanjaard Tomás de Iriarte die vertelt over een dag uit het leven van de dichter die het er van neemt, die een “langbegeerde vlam” eindelijk wist te verleiden, daarna met “vrienden goed [heeft] gegeten”, een vioolconcert bezocht en zijn fans heeft aangehoord…

“Gedanst, gezwierd, een koets naar huis genomen;
de hele dag vergleed als éen seconde,
doch zelden was een dag zo welbesteed!

Maar ’s nachts lag ik te woelen op mijn sponde,
omdat het juist rijmwoord niet wou komen…
je hebt toch ook geen leven als poëet!”

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Woelig stof is als zelfstandige bundel alleen nog tweede hands te krijgen. De bundel is ook ook opgenomen in Rawie’s Verzamelde verzen, wel nieuw te bestellen