Donderdag, 21 mei, 2009

Geschreven door: Mersbergen, Jan van
Artikel door: Winter, Karlijn de

Zo begint het

Een nest pups en drie moeders

Met z’n tienen zijn ze, de pasgeboren puppy’s die, opeen gepropt in een zak, in een ondergrondse vuilcontainer zijn gedumpt. ‘Wie doet nu zoiets?’, klinken de reacties, nadat de hondjes gevonden zijn, in tv-reportages en op internetfora. Honderden brieven krijgt het asiel waar ze worden opgevangen van bezorgde kandidaat-baasjes die de pups een goed leven willen bieden. Het kan niet op met de solidariteit.

Een van de puppy’s is in de container ernstig verwond geraakt door een afgedankte gordijnrail die de zak indrong. Dit hondje zal een belangrijke schakel gaan vormen tussen de levens van drie hoofdpersonen, alledrie moeders, uit Zo begint het. Ook zij zijn, net als de hondjes, alleen en aan hun lot overgelaten, gescheiden van hun afwezige vriend of kind. In losse scènes die elkaar in vlot tempo afwisselen toont de roman hoe ze zich, onafhankelijk en ontwetend van de ander, in een benarde toestand moeten zien staande te houden.
Dat eenzame isolement vat Van Mersbergen treffend in een beeld dat een van hen, Evana, voor ogen verschijnt. Net bevallen van een zoon, wiens vader vastzit in de gevangenis, is ze alleen met de baby achtergebleven en kijkt, vermoeid, vanuit haar bed door het raam naar buiten:

‘Aan de andere kant van de slaapkamer het balkon, zonlicht, geluiden van vogels. (…) Ze denkt aan een ander raam, in het asiel. Een langwerpig raam dat over de volle breedte van het hok liep, onder het plafond. Als ze op haar tenen ging staan kon ze naar buiten kijken. Ik zie een boom, zei ze tegen de hond. Daar kun je straks tegenaan pissen. Als je wat groter bent.’

Het is de gewonde pup, Sirius, waar ze aan denkt. Als dertienjarige, toen ze een zomer in het asiel een taakstraf moest volbrengen, heeft ze hem verzorgd. Diezelfde hond, die bij een stel uit Friesland kwam te wonen, beet later hun pasgeboren baby dood. Juist dit tragische voorval leest Evana in de krant nu ze zelf net moeder is geworden. En op de foto die ernaast staat herkent ze de hond.

Sociologie Magazine

Kleine hondjes en kindjes, de verwarring in het kraambed en de bezorgdheid van moeders, dat zijn thema’s – hoe bevooroordeeld dit ook mag klinken – die je eerder bij een vrouwelijke auteur verwacht, Renate Dorrestein bijvoorbeeld. Ze lijken op het eerste gezicht al helemaal niet bij Jan van Mersbergen te passen die je, door bijvoorbeeld een roman als Morgen zijn we in Pamplona, juist geenszins met tederheid en geborgenheid associeert. Maar zijn benadering heeft, misschien wel vanwege zijn onvertrouwdheid met die thema’s, een overtuigend en verfrissend resultaat opgeleverd.

Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de kunst van het zwijgen die Van Mersbergen uitermate goed beheerst. Doordat niet alleen Evana, maar ook de andere hoofdpersonen Emma en Edyta de hond direct of indirect gekend hebben, en ze bovendien allemaal opvoedtaken vervullen, overheerst een grote morele vraag: in hoeverre ben je verantwoordelijk voor het gedrag van diegene die jij verzorgt? Desondanks maakt Van Mersbergen die nergens expliciet. Dat geeft ademruimte maar maakt de vraag, omdat je die als lezer zelf dient te formuleren, tegelijkertijd des te dwingender.

Net zomin expliciteert Van Mersbergen gevoelens van schuld, angst, pijn en verwarring die de personages beheersen. Het nieuws over de doodgebeten baby in Friesland hebben ze via de krant vernomen of, wat Emma (de moeder van die baby) aangaat, zelf meegemaakt. Van Mersbergens proza registreert wat zij doen, denken en waarnemen, maar hun emoties hierbij blijven ombenoemd. Die sobere, ingehouden stijl sluit prachtig aan bij het isolement en de radeloosheid waar de personages zich in bevinden:

‘Evana pakt een kopje van de tafel en gaat op de bank zitten. Haar benen van lood, haar buik is week. Ze neemt een slok lauwe thee. Van het hele artikel in de krant, van de stukken op internet en de reportage op de radio zijn een paar zinnen in haar hoofd blijven hangen en die zinnen blijven zich herhalen. (…)
Honden handelen niet alleen uit zichzelf.’

En:

‘In feite is niet de hond schuldig, maar de mensen die de hond opgevoed hebben.’

Alles wat onbesproken blijft, probeer je als lezer zelf uit de spaarzame aanwijzingen te filteren. Het vraagt een actieve leeshouding die de betrokkenheid bij de ontredderde Evana, Emma en Edyta des te meer vergroot.

Maar het legt ook een verbondenheid bloot tussen de drie hoofdpersonen onderling. Hoewel hun ervaringen, van nu en uit het verleden, elkaar in losse fragmenten afwisselen, laat de roman geenszins een fragmentarische indruk achter. De stemmen van de vrouwen klinken gelijkwaardig, en het feit dat het perspectief snel achter elkaar verspringt en de namen Evana, Emma en Edyta wel erg dicht bij elkaar liggen, doet de verhaallijnen soms ogenschijnlijk samenvloeien. Dat de personages zich niet bijzonder van elkaar onderscheiden kun je als gebrek aanwijzen. Niettemin is het toch die gelijke tred die je de samenhang tussen de individuele lotgevallen doet zien. Dezelfde schuldvraag, datzelfde eenzaam achtergelaten zijn is wat hen verbindt, net als die ene hond.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *