Vrijdag, 23 oktober, 2020

Geschreven door: Vervoort, Hans
Artikel door: Kors, Isolde

Zo tedere schade...

“Zó schrijven dat de lezer beelden in zijn hoofd krijgt en niet meer merkt dat hij leest, is mijn ideaal”

[Interview] U bent in het verleden werkzaam geweest in zowel het marktonderzoek als de uitgeverswereld van de weekbladpers. Heeft u altijd de ambitie gehad om romanschrijver te worden?

“Ik wilde wel altijd graag schrijven en publiceren, maar ik heb er nooit serieus over gedacht om fulltime schrijver te worden en te proberen van het schrijven te leven. Toen ik begon te publiceren (1970) waren er maar weinig schrijvers die dat deden. En het trok me ook niet. Want dan móet je echt teksten produceren of je nu iets te melden hebt of niet. Dat stond me enorm tegen. Ik heb daarom altijd een baan gehad en ging daar vaak helemaal in op, zodat er maar weinig tijd voor de schrijverij over bleef. Veel van de romans die ik schreef zijn dan ook eigenlijk novellen, geschreven in vakanties.
Voordeel van het hebben van een baan was dat ik veel zag en beleefde waarover ik kón schrijven. Bij fulltime schrijvers merk ik vaak dat ze eigenlijk geen flauw idee hebben hoe het leven van de gemiddelde werkende mens is.” 

Uw oeuvre bevat boeken in veel verschillende genres. Van kinderboeken tot (auto)biografische boeken tot korte verhalenbundels. Welk genre vond u het meest verrassend of leuk om in te schrijven?

“Ik begon met twee bundels zéér korte verhalen van meestal niet meer dan 1 of 2 boekpagina’s.
Langer kon niet, want ik wist niet hoe je personages met elkaar kon laten praten, ik kon geen dialogen schrijven. Toen ik na die twee bundels toch eens een roman probeerde lukte het ineens wel en daarna bléven mijn personages maar tegen elkaar kwekken en moest ik ze soms tegenhouden.
De roman is dus wel mijn favoriete genre. Maar ik moet zeggen dat ik het meeste schrijfplezier heb beleefd bij de autobiografische romantrilogie Het Bedrijf, over mijn 25 werkjaren bij de bladen-uitgeverij Weekbladpers (met onder andere de bladen Vrij Nederland, Opzij, Psychologie Magazine). Ik was niet van plan die memoires te schrijven maar werd uitgedaagd om het te proberen. En toen ik bezig was haalde de ene herinnering de ander en schreef ik 3 dikke pillen van elk 450 pagina’s vol! Heerlijk was dat. Het is wel eens vergeleken met Het Bureau van Voskuil en qua stijl en manier van kijken klopt dat wel, denk ik. Maar inhoudelijk is er dit verschil dat Voskuil geen plezier beleefde aan zijn werk en het bureau, terwijl ik hield van mijn werk en het bijzondere bedrijf dat de Weekbladpers was en hopelijk nog is (met werknemerszelfbestuur als basis voor de bedrijfsvoering)”

TijdvoorTijdschriften

U omschrijft uzelf als een ‘schrijver als lotgenoot’. Wat bedoelt u daar precies mee?

“Ik heb dat op mijn website zo beschreven: Er zijn allerlei soorten schrijvers, die wat mij betreft allemaal mogen bestaan. De schrijver als Leraar, de schrijver als Onderzoeker, de schrijver als Verslaggever. Ik hoor bij een vierde categorie, de schrijver als Lotgenoot, ik beleef mijn genoegen eraan om te vertellen wat een mens zoal kan overkomen en hoe je je daar tegen teweer kan stellen of eraan ten onder kan gaan”

Waarom denkt u dat het belangrijk is om het soort verhalen te vertellen van de ‘schrijver als lotgenoot’?

“Je zult mij nooit horen zeggen dat het belangrijk is wat ik schrijf. Die pretentie wil ik niet hebben. Ik hoop dat als mensen mijn verhalen lezen, ze het gevoel krijgen iets mee te maken dat hun zelf zou kunnen overkomen of iets herkennen dat hen overkomen is. En ik hoop ook heel erg dat ze vinden dat ik dat goed en boeiend heb opgeschreven. ‘Het leest als een trein’ hoor ik wel eens als compliment en daar ben ik tevreden mee. Maar het liefst zou ik horen ‘het leest als een film’. Want dát is wel mijn ideaal, zó schrijven dat de lezer beelden in zijn hoofd krijgt en niet meer merkt dat hij leest.”

Leest u zelf ook graag boeken van auteurs die u in de categorie ‘schrijvers als lotgenoot’ ziet? Zo ja wat zijn uw favorieten?

“Dat zijn schrijvers waarvan je merkt dat ze heel veel van hun eigen belevenissen en van hun persoonlijkheid in hun verhalen verwerken. Reve was zo iemand en zijn De avonden gaf mij een sterk gevoel van herkenning toen ik het op mijn 18e las. De renner van Tim Krabbé was ook zo’n boek. En niet te vergeten al het werk van Rudy Kousbroek, wiens essays altijd vanuit zijn persoonlijke gevoelens en ervaringen waren geschreven.” 

In uw werk geen extremiteiten, zoals een extreem gebruik van geweld of seks. Uw boeken gaan over ‘normale mensen’, die weliswaar schokkende dingen kunnen meemaken, zoals in uw laatste boek, het verlies van een partner. Wat vindt u van boeken die wel grossieren in extremiteiten, bijvoorbeeld Otmars zonen van Buwalda?

“Ik heb daar eigenlijk geen mening over. Als Buwalda vindt dat hij dat moet schrijven heeft hij mijn zegen.” 

Veel werken van uw hand bevatten overeenkomsten met uw eigen leven. Ook in Zo tedere schade… zijn veel overeenkomsten tussen uw leven en het leven van de hoofdpersoon van dit boek te vinden. Zo dragen jullie dezelfde naam, zijn jullie beiden opgegroeid in Nederlands-Indië, zijn jullie in hetzelfde jaar naar Nederland gekomen en zijn jullie naar dezelfde school gegaan in Amsterdam. In hoeverre beschouwt u dit boek als een autobiografisch werk?

“Ik heb als grap wel eens gezegd dat ik altijd een hoofdpersoon heb die op mij lijkt, omdat ik dan in elk geval één personage niet hoef te verzinnen. Mijn manier van schrijven komt er eigenlijk op neer dat ik mezelf op avontuur zend. Ik bedenk een situatie en vraag me af: hoe zou ik mij gedragen als mij dat overkwam? In die zin is het dus wel fictie.”

Hoewel er veel gelijkenissen zijn tussen uzelf en het personage Hans uit Zo tedere schade…, is uw eigen vrouw Maja gelukkig nog levend en gezond. Hoe besloot u een boek te schrijven over longkanker als gevolg van meeroken?

“Dagdromen en nachtmerries zijn voor mij vaak de basis voor een roman. En dit was één van mijn nachtmerries: dat zij ooit longkanker zou krijgen omdat ze ongewild met mij meerookte. Want ik was tot mijn 60ste een stevige roker.
Een andere nachtmerrie was: stel nu dat mijn lief eerder dood gaat dan ik, wat moet ik dan? Die twee nachtmerries stonden aan de basis van ‘Zo tedere schade…” Met vooral de vraag: wat gaat mijn hoofdpersoon Hans doen in zo’n situatie.”

U houdt u veel bezig met het uitgeefproces van boeken, en hebt in het verleden ongenoegen geuit over onder andere de bestseller top 10. Wordt, naar aanleiding van uw ideeën over het uitgeefproces, Zo tedere schade… nog op een speciale manier uitgegeven?

“Toen ik begon te schrijven, zo’n 50 jaar geleden, ging het in de boekenmarkt vooral om het boek. De schrijver trad maar zelden als persoon in de publiciteit. Tegenwoordig is dat heel anders: een boek verkoopt pas goed als de schrijver op de televisie is geweest en daar indruk heeft kunnen maken. En dat is niet fair tegenover auteurs die wel een goed boek schreven, maar die het niet lukte om op de tv te verschijnen of – wat je zou kunnen verwachten van een schrijver – daar zelfs benauwd voor zijn 
Ik leef niet van de schrijverij en de verkoop van mijn boeken is dan ook voor de uitgever belangrijker dan voor mij. Zijn manier van uitgeven is daarom bepalend. 
Wel heb ik mezelf wel eens de vraag gesteld: wil je verkoop of wil je lezers? Dat was makkelijk te beantwoorden: lezers. Daarom staan op mijn website 19 van mijn oude titels als gratis te downloaden e-books en pdf-files op mijn website. En die vinden gretig aftrek, ze zijn tezamen al ruim 200.000 keer gedownload.”

In uw mail naar onze redactie schreef u dat Zo tedere schade… waarschijnlijk het laatste boek is wat u uitgeeft. Hoe voelt u zich over het idee dat dit het laatste werk van uw hand zal zijn?

“Het is mijn 25ste titel en ik mag al-met-al niet mopperen over wat ik heb kunnen schrijven en publiceren. Ik heb ook nog wel een idee voor een volgende roman. Maar de jaren tellen en of ik nog de energie kan opbrengen voor een hele roman, ik weet het niet.. 
Ik schrijf wel bijna dagelijks een stukje op mijn Facebook-pagina en recenseer ook nog geregeld boeken voor de website Literair Nederland.”

Zo tedere schade… is ook een boek over afscheid nemen. Ook uit uw facebook berichten blijkt een zekere weemoed naar voorbije tijden. Valt het u zwaar, het ouder worden? En hoe wapent u zich er tegen?

“Weemoed heb ik altijd gehad, sinds ik in 1953 als 14-jarige met mijn ouders naar Nederland moest vertrekken, het kind van de koloniale rekening. Dat verlangen naar wat was en niet meer mocht zijn draag ik al mijn hele leven met me mee. In dat opzicht verandert de ouderdom niets aan mijn bestaan. De fysieke en geestelijke aftakeling die je bij jezelf merkt is erger, maar ik besef dat het erbij hoort als je de laatste kilometers aflegt op de weg naar het einde. Er zit niets anders op dan dat te accepteren. Het ergst vind ik dat ik soms niet meer op namen kan komen van personen. Dan krijg je conversaties met je echtgenote in de trant van: “Je weet toch wel, die acteur in die film met die blonde actrice en hij moet zich dan als vrouw verkleden. En die andere acteur ook. Muzikanten waren ze. Zij ook.” Je vrouw kijkt je dan blanco aan en pas na uren piekeren komt boven drijven dat je Tony Curtis bedoelde, in de film ‘Some like it hot’. Maar dan ben je alweer vergeten waaróm je op zijn naam wilde komen.”

Voor het eerst gepubliceerd in Bazarow Magazine

Lees ook een hoofdstuk uit Zo tedere schade…